Armagnac: van oeroude technieken tot moderne oenologie

06/08/2020 - Om een geslaagde Armagnac te maken, volgt men vandaag de dag gewoon een "lastenkohier" waarin keurig de regels zijn vastgelegd om alle tegenslag te vermijden. Die zijn weliswaar heel algemeen en staan dus alleen borg voor een behoorlijke kwaliteit.

Om een “grote” Armagnac te maken, moet men dat protocol bijschaven en dus perfect op de hoogte zijn van bodemgesteldheid, druivenvariëteiten, vinificatie, distillatie en rijping. En “onmogelijk” staat niet in het woordenboek van een “Gascon”… Veel Armagnacmakers zijn de industriële toer opgegaan, schonken geen aandacht meer aan de kwaliteit van de druiven en de wijn, maakten de distillatie ondergeschikt aan de productie en interpreteerden “rijping” veeleer als “kleuring”… en toch bestaat er vandaag geen grote Armagnac die ook maar één van deze stappen heeft overgeslagen. Het beste bewijs is dat er vandaag de dag bij de beste soorten Armagnacs zitten van wijnhandelaars: Darroze, Samalens, Gélas,… ze volgen allemaal de kwaliteit van de druiven en de wijn, die bepalend zijn voor de toekomstige kwaliteit van de “aygue ardente”.

Ondergrond

Rekening houden met de bodemgesteldheid, dat is een fundamentele regel in de wijnbouw in het algemeen, ongeacht het feit of het uiteindelijke doel nu is wijn of eau-de-vie te maken. “Elementair”, zo denkt u wellicht, want deze onveranderlijke parameter – die louter afhangt van de welwillendheid van de goden – heeft een rechtstreekse invloed op de kwaliteit van de druiven. Dit is trouwens ook de basis geweest voor de indeling in appellations. Maar zo eenvoudig is het allemaal niet. Want als we ervan uitgaan dat een bepaald type wijn (of eau-de-vie) het beste is, en de verschillende stappen in de productie volgen, en alle wijnbouwers passen dezelfde procédés toe, dan komen we onvermijdelijk uit bij de aard van de bodem.

En dan kunnen we een cirkel trekken rond al de goeie, en alles wat erbuiten ligt, is minder goed.
Maar we kunnen ook het omgekeerde bewijzen. Daartoe moeten we gewoon het uitgangspunt veranderen.
Het heeft geen zin het type wijn dat de voorkeur wegdraagt te veranderen, wat neerkomt op de notie van smaak te veranderen, want we komen dan uit op hetzelfde resultaat, en in ieder geval is het de mode die daarover beslist.
Laten we dan eens kijken wat we weten: dat bepaald bodemtype met die bepaalde druivenvariëteit en dat bepaalde klimaat (samen dus het terroir) werken die of die kwaliteit in de hand, en die of die zwakte.
Dan kunnen we een protocol (voor het verbouwen van de wijn, het maken van de wijn, de distillatie en de rijping) toepassen dat ervoor zorgt dat de kwaliteiten die dat bepaalde terroir in de hand werkt, optimaal tot uiting komen.
Terug naar de Armagnac nu. Natuurlijk zijn de grote Armagnacs afkomstig van de “Bas-Armagnac” en meer bepaald van de zogenaamde “sables fauves”. Dit terroir zorgt voor een niet te evenaren complexiteit bij het verouderen. De “Haut-Armagnac”, met zijn kalkhoudende ondergrond, is niet geschikt voor veroudering en geeft vaak droge en houtachtige Armagnacs.

Maar wat met de jonge Armagnacs? Een Armagnac jonger dan acht jaar (sommigen zeggen zelfs 10 jaar) afkomstig van de Bas-Armagnac (gedestilleerd volgens de “Armagnac-methode”) is niet echt op zijn best: vaak is hij zwaar, heel vet en alcoholrijk. In de Haut-Armagnac daarentegen, tenminste als de distilleerder niet probeert oude Armagnacs te maken, zijn de jonge Armagnacs levendig, fruitig en vooral bloemig; kortom: fris. De notie van terroir moet dus in die context gezien worden en zal in de toekomst beslist bepalend zijn voor de kwalitatieve indeling in appellation-zones voor Armagnac en in wijnbouwzones in het algemeen. Er is alvast één iemand die dat goed heeft begrepen: Claude Posternak (Château Négoubouc).

Druivensoorten

Ugni Blanc

Die vormen veruit de belangrijkste verklaring voor de kwalitatieve verschillen tussen de domeinen. Er worden immers heel wat verschillende wijnstokken gebruikt voor distillatie, in heel uiteenlopende verhoudingen, zowel op elk domein afzonderlijk als in de hele Armagnacstreek.
Het heeft echter niet veel zin om een overzicht te geven van die kwantitatieve verhoudingen. Ten eerste omdat niet alle wijngaarden in de streek louter bestemd zijn voor distillatie; er wordt ook wijn mee gemaakt bestemd voor consumptie als dusdanig.
En ten tweede omdat de relatieve verhoudingen van elke wijnstokvariëteit totaal niet representatief is voor het aandeel van de variëteiten in de samenstelling van Armagnac.
Wel kunnen we stellen dat de meest gebruikte variëteit in de hele appellation de “Ugni-Blanc” is, goed voor zowat driekwart van het totaal.

Baco

Daarna komt de “Bacco”, met een vijfde, de “Colombard” en de “Folle-Blanche”  nemen samen een twintigste voor hun rekening en dan is er nog een hele waaier druivenstokken die aan het verdwijnen zijn of sedert kort weer opnieuw worden aangeplant, zoals de “Jurançon”, de “Clairette de Gascogne”, de “Meslier Saint François”, de “Mauzac”, enz. Maar we moeten dus goed voor ogen houden dat voor één bedrijf, bijvoorbeeld, de Colombard de belangrijkste aangeplante wijnstok kan zijn en de Folle-Blanche de variëteit die overwegend aan te treffen is in de samenstelling van zijn Armagnac.
Daarin kunnen we een beleidsmatige reden vinden voor de evolutie van de kwaliteitsstrategie in de loop der eeuwen: in een tijd toen agressieve klimaatsomstandigheden en schimmelaantasting moeilijk te bestrijden waren, koos men in grote mate voor de Ugni-Blanc. Die variëteit is immers bestand tegen vorst, bereikt nooit de celmaturiteit, wat de druif beschermt tegen aanvallen van schimmels en insecten en tegen gevaar voor oxidatie van het sap; en bovendien is het een krachtige wijnstok, die tot 150 hectoliter per hectare produceert, wat niet te versmaden is voor de productie van eau-de-vie waarbij de uiteindelijke opbrengst maar magertjes uitvalt.

Folle Blanche

De “Bacco” is het resultaat van een kruising tussen “Folle-Blanche” en “Noah”, en de enige hybride soort die is toegestaan in een A.O.C. Hij is precies honderd jaar oud en werd ontwikkeld ten tijde van de strijd tegen de Phylloxera. Hij maakt een vijfde van de totale aanplant in de streek uit, maar is in feite vooral te vinden in de “Bas-Armagnac” en de “sables fauves”. In de twee andere zones komt hij omzeggens niet voor. Daar zijn verschillende redenen voor: omdat het wijnbouwsyndicaat samen met de INAO (de instantie die waakt over de appellations d’origine) heeft beslist dat de variëteit moet verdwijnen tegen het jaar 2012, werden oude stokken vervangen door andere variëteiten en plant niemand deze soort nog aan.
Tegelijk is het een druivenvariëteit die eaux-de-vies levert die hard zijn in hun jeugd maar door een lange veroudering prachtig worden. In de zanderige zone van het gebied, waar vooral oude Armagnacs worden gemaakt, is de soort dus lange tijd op grote schaal aangeplant. Het toekomstige verbod hangt dan ook als een “zwaard van Damocles” boven het hoofd van veel wijnbouwers.
De “Colombard” is gevoelig voor rotting maar geeft alcoholrijke wijnen. Het is mogelijk dat hij in de Armagnac werd geïntroduceerd omdat hij terug te vinden is in de beste Cognacs; in elk geval is het zo dat de wijnbouw in de Armagnacstreek toch overwegend gericht is op de productie van consumptiewijn, en dat de Colombard een smaak levert die met een Ugni-blanc of een Folle-blanche niet kan worden bereikt.
De Colombard leent zich echter niet goed voor distillatie; door zijn hoge alcoholgehalte is hij niet interessant voor distillateurs, want die werken bij voorkeur met wijnen met een laag alcoholgehalte, en doordat hij gemakkelijk het stadium van de celrijpheid bereikt, is de most sneller onderhevig aan oxidatie, die in dit geval niet kan worden bestreden door het toevoegen van zwavel.

Colombard

De “Folle-Blanche” is alleszins een van de oudste variëteiten in de Armagnac. Voor de grote Phylloxeraplaag was het de belangrijkste wijnstok van de appellation. Hij wordt ook wel “Picquepoult” genoemd en is in de streek van Nantes ook bekend onder de naam “Gros-Plant”. Hij vertegenwoordigt nauwelijks een honderdste van de appellation, en toch is het de ongekroonde koning van de wijnstokvariëteiten in de Armagnac. Zijn eaux-de-vies zijn ontegenzeglijk de fijnste, de meest elegante en de meest complexe van het Armagnac-rijk. Maaaar, want er is altijd wel ergens een “maar”, deze variëteit vergt enorm veel zorgen, is kwetsbaar en gevoelig voor rotting en levert geen hoge opbrengsten. Kortom, toen de wijngaarden aan het begin van de eeuw massaal opnieuw werden aangeplant en het begrip “kwaliteit” minder ging meetellen, viel hij nogal gemakkelijk uit de boot. Gelukkig zijn er nog moedige wijnbouwers die rotsvast in hem bleven geloven en die daar vandaag ruimschoots voor worden beloond (hoewel sommigen van hen er helaas niet meer zijn om dat mee te maken): in La Flèche is het ongetwijfeld de hardnekkigheid waarmee Léon Lafitte is blijven vechten voor het behoud van zijn “Folle-Blanche”-stokken die van het “Domaine de Boignères” de grootste wijnbouwers-Armagnac heeft gemaakt.
De andere vermelde druivenvariëteiten (Jurançon, Meslier, Plant de Graisse, Clairette, Mauzac,…) zijn vandaag louter symbolisch aanwezig. Ze worden gebruikt bij experimenten en onderzoeksprojecten die het BNIA (Bureau National Interprofessionel d’Armagnac) voert samen met wetenschappers en wijnbouwers, in het kader van de niet-aflatende zoektocht naar de ideale wijnstokvariëteit of de ideale combinatie van wijnstokvariëteiten. Voor velen hebben ze nog slechts een anekdotische waarde, maar anderen, zoals Yves Grassa (Château de Tarriquet), stoppen heel wat energie in dit onderzoek. Het moet gezegd dat de waarde van dergelijke experimenten pas zal blijken wanneer de eaux-de-vies zullen worden geproefd na vijf, tien, vijftien of twintig jaar veroudering, en daarom moet nu worden aangeplant. Er wordt gezegd dat de Plant de Graisse de meest geschikte zou zijn om de plaats van de Bacco in te nemen.

Vinificatie

Op dit punt is het protocol zo eenvoudig mogelijk gehouden, om het proces zo snel mogelijk te laten vorderen en het sap te behoeden voor oxidatie. Het is zo dat de concentratie aan ethanal, bijvoorbeeld, in het distillaat vervijfvoudigd wordt, en dus ook in dezelfde mate te proeven is. Daarom concentreren de producenten in de Armagnac zich hoofdzakelijk op de gezondheidstoestand van de geoogste druiven en de aciditeit als bepalende criteria voor de kwaliteit van de toekomstige Armagnacs.
De keuze van de druivensoort is hier dus van het grootste belang: met de Ugni-Blanc loopt de wijnbouwer het minst gevaar voor verlies.
Wanneer de druiven eenmaal zijn binnengehaald, worden ze snel vergist en wordt overgegaan tot een tweede gisting, de zogenaamde malolactische fermentatie, die belangrijk is om de wijnen hun biologische stabiliteit te geven, want er mag geen zwavel aan worden toegevoegd en ze vertonen een hoge zuurgraad. De wijnen worden dan bewaard op droesem, om hun typische eigenschappen te ontwikkelen (vetheid, rondheid, aroma).
Kwaliteitsonderzoek heeft het belang aangetoond van zaken als temperatuurcontrole bij de gisting, de concentratie van sediment in de most enz. Nu deze noties helemaal ingeburgerd zijn, wordt het misschien eens tijd om wat meer onderzoek te verrichten naar de aromatische, druif-eigen kwaliteit en noties te gaan invoeren als celrijpheid, die voor Armagnac natuurlijk relatief zijn, en “macération préfermentaire” voor een betere extractie van de aroma’s? Ik stel die vraag omdat ik er tijdens mijn gesprekken met mensen uit de Armagnacstreek nooit echt afdoende antwoorden op heb gekregen. En nochtans weet iemand als Yves Grassa (ja, weer diezelfde) die diepere ziel uit zijn druiven te halen.

Distillatie

Het distilleerapparaat en het distilleerproces fijnregelen om de kwaliteit van een eau-de-vie de optimaliseren is verre van eenvoudig. Twee distilleerders maken met dezelfde wijn en hetzelfde distilleertoestel niet noodzakelijk dezelfde eau-de-vie. Afhankelijk van hun methode kan de ene een lichte, bloemige eau-de-vie maken en de andere een zwaardere, alcoholische versie. Vertrekkend van de hypothese dat de basisparameters exact overeenkomen (identieke wijn, identiek distilleerapparaat) hadden de distilleerders met de hulp van wetenschappers een “universeel” protocol kunnen uitwerken met het oog op een eau-de-vie van “perfecte” kwaliteit. Alleen is dat niet het geval; de wijn is nooit dezelfde door verschillen in de gebruikte wijnstokken, de ondergrond, het klimaat, de toestand van de druiven bij de oogst en de hoeveelheid en kwaliteit van het bezinksel; de distilleerapparaten verschillen fysisch gezien door het aantal niveaus, de omvang en de hoogte van hun verwarmingslichaam en chemisch gezien door de toestand van het koper en van het oppervlak (vandaag weten we dat koper omwille van zijn elektrolytische eigenschappen onmisbaar is voor een goede distillatie: het voorkomt de vorming van waterstofbellen, fixeert zwavelhoudende stoffen zoals H25 en gaat verbindingen aan met vluchtige zuren (die slecht ruiken) waarbij zepen worden gevormd die daarna worden geëlimineerd).
Door dit alles vordert het distillatieprotocol slechts heel langzaam, omdat het niet kan worden opgesteld zonder rekening te houden met de ervaring van elke distilleerder.

Enkele voorbeelden van de inbreng van de distilleerder:

Een eerste opmerking betreft het distilleertijdstip: van overheidswege is eind maart vastgelegd als uiterste limiet, maar witte wijn die in september wordt gevinifieerd en niet goed kan worden beschermd, evolueert razendsnel; als de distillatie wordt uitgesteld tot het einde van de winter, is de wijn en dus de toekomstige eau-de-vie gegarandeerd naar de vaantjes. Op dit punt zijn alle topdistillateurs het eens: na de gisting moet er zo snel mogelijk worden gedistilleerd.
En dan het alcoholgehalte van de wijnen: dit is, behalve het gevaar voor rotting, een belangrijke reden om te oogsten voordat de druiven rijp zijn. Om de distillatie optimaal te laten verlopen, moet de wijn een laag alcoholgehalte hebben (niet meer dan 10°). Bij hogere gehaltes moet er meer worden verwarmd, wat afbreuk doet aan de kwaliteit van de eau-de-vie.

De verwarming: het is belangrijk om die constant te houden. Bij 5° te veel ontstaat een bittere smaak. Vandaag de dag is de temperatuurcontrole echter geen probleem meer, te meer ook omdat nagenoeg alle distilleerapparaten op gas branden en dus makkelijker te regelen zijn dan de vroegere houtbranders.
De distilleersnelheid is één van de allerbelangrijkste parameters en houdt hoofdzakelijk verband met de temperatuur; wanneer de distillatie te snel gaat, komen zware stoffen terecht in het eindproduct; bij een te trage distillatie wordt de eau-de-vie dan weer te mager en te droog.
De temperatuur en het alcoholgehalte van het distillaat: hoewel de wetgever een marge tussen 52° en 72° heeft voorzien, streven de meeste goede distillateurs toch naar een waarde rond de 52° door de temperatuur van het distillaat op ongeveer 19° (18 tot 21°) te houden. Ook hier weer is er echter een andere school, met Claude Posternak als bekendste aanhanger, die minder belang hecht aan het alcoholgehalte dan aan de temperatuur, die volgens deze leer dé sleutel is om tot een geslaagd resultaat te komen. Posternak zweert bij een temperatuur van zo’n 15°C, die volgens hem de eaux-de-vies fruitig en fris houdt, estervorming beperkt en de eau-de-vie minder “koppig” maakt.

Gedurende dit hele distillatieproces moet de distillateur, ook al wordt hij tegenwoordig dan bijgestaan door allerlei indicators (temperatuur, alcoholmeter, barometer), voortdurend blijven luisteren naar het trage “verteringsproces” (een tiental uur om een vat van 400 liter vol te krijgen) dat zich in de ingewanden van het monster voltrekt, een beetje als een dirigent die een feilloos op elkaar ingespeeld orkest moet dirigeren en bij de minste wanklank opschrikt!

De rijping

Op hout verouderde eau-de-vie draagt altijd de sporen van zijn recipiënt, waar vroeger trouwens geen enkel alternatief voor was en dat al snel heeft geleid tot de grote aantrekkingskracht van Armagnacs. De rijping is een werk dat heel veel geduld en uiterste zorg vraagt, maar boven alles ook ervaring en intuïtie.
Stel u een rijpingskelder voor waarbij de oudste nog op vat gelagerde millésime 30 jaar oud is. Dat betekent dat er in diezelfde kelder nog 29 andere millésimes rusten, die elk op een andere manier moeten worden gevolgd omdat ze allemaal hun eigen kenmerken vertonen die typisch zijn voor hun jaargang. Niet alleen moet men perfect weten wanneer de rijping van elke millésime voltooid is, maar ook, met het oog op de toekomstige assemblages, de geur- en smaakkwaliteiten van elk lot onder controle houden om “perfecte” samenstellingen van verschillende millésimes te kunnen maken.
In zijn “Guide de l’Amateur d’Armagnac” schreef Jean Samalens: “Een grote Bas-Armagnac is als een symfonie uitgevoerd door een groot orkest. De jaren zijn de instrumenten, met koperwerk en violen, hobo’s en trommels. En de keldermeester is de orkestleider.” Hier houdt de wetenschap op: ze kan constateren en helpen, maar geleerden en academici kunnen nooit de plaats innemen van de ervaring en de intuïtie.

De kwaliteit van de vaten

In de eerste plaats moeten de juiste vaten worden gekozen. Er zijn vandaag de dag kuipers genoeg die een heel gamma vaten aanbieden, niet alleen verschillend van oorsprong maar ook op diverse wijzen gedroogd en gebrand. In tegenstelling echter tot de producenten in wijnstreken hebben de Armagnacmakers van dit onderdeel een van hun specialiteiten gemaakt. Er is geen enkele producent van top-Armagnac die zich niet intensief met dit aspect bezighoudt. De eiken uit de Gascogne dragen de algemene voorkeur weg en topproducenten hebben ofwel een eigen kuiper in dienst, of bezitten eigen eikenbossen, of kopen hout maar laten het zelf drogen, of houden van heel nabij toezicht op degenen die dat doen, enz… De basis voor een geslaagde rijping lijkt vervat te zitten in de textuur van het hout: in de Gascogne hebben ze de gewoonte hout te strelen om zijn nerven te voelen. Feit is dat een wijn die in vaten rijpt, door zijn geringe alcoholgehalte en zijn kortere lagertijd, hoofdzakelijk met het oppervlak van het hout in contact komt en slechts in mindere mate met de diepere lagen, dus de verwarmde en gebrande fenolen ervan. Maar eau-de-vie, die veel langer in het vat verblijft en veel meer alcohol bevat, dringt tot diep in de kern van het hout; daarom moet kost wat kost vermeden worden dat hij bittere smaken of andere fouten uit het hout overneemt en is droog hout met een gesloten textuur en een fijne structuur een absolute vereiste.

Voor min of meer lange tijd in het vat

De eau-de-vie van het jaar gaat dus in deze nieuwe vaten (van 400 liter over het algemeen). Daar blijft hij voor een periode die kan gaan van 8 maanden tot 5 jaar, afhankelijk van de kwaliteit van de millésime, de druivenvariëteit en de toekomstige bestemming. Eaux-de-vies die bestemd zijn voor een lange veroudering en gemaakt van Bacco-druiven blijven 4 à 5 jaar op nieuw hout gelagerd, terwijl een eau-de-vie van Colombard die slechts kort dient te verouderen wellicht maar een jaar in het vat blijft. Daarna worden de Armagnacs opnieuw ingekuipt, ditmaal in oudere vaten, tot aan het bottelen, of tot ze in nog oudere, “uitgeloogde” vaten worden gedaan, die geen houtsmaak meer afgeven. Het is moeilijk om zeggen wanneer een vat uitgeloogd is; dit hangt af van de kwaliteit van het hout, de manier van branden en de eaux-de-vies die er in het begin zijn in gelagerd.

De alchemie van het verouderen

Armagnac die een optimale ouderdom heeft bereikt, wordt over het algemeen bewaard in grote glazen recipiënten of in kuipen tot hij wordt gebotteld of gemengd met andere. Bij die lange veroudering heeft een trage oxidatie van de bestanddelen plaatsgevonden, waarbij meer bepaald ethanol in omgezet in ethanal en azijnzuur, dat zelfs in kleine hoeveelheden zorgt voor een hogere aciditeit. Zo vinden talloze combinaties plaats tussen de verschillende bestanddelen, alcoholen, aldehyden, houtcomponenten… Het hout geeft vanilline, lactonen, furanen, aldehyden,… en tannines af (die structuur maar ook kleur geven). De geuren van het distilleertoestel (brandalcohol) verdwijnen. Er doet zich ook een belangrijk fenomeen van dubbele verdamping voor. Een verdamping van alcohol (het zogenaamde “part des anges”), die afhangt van hoe lang de eau-de-vie in het vat blijft en zo’n 2 à 4 % volume per jaar bedraagt. En een verdamping van water, die minder snel gaat omdat alcohol vluchtiger is, en leidt tot een aanzienlijk volumeverlies. Dit laatste verschijnsel hangt samen met de vochtigheidsgraad in de kelder. Na deze dubbele verdamping bedraagt het relatieve alcoholverlies dan uiteindelijk tussen 1 en 1,5 % volume per jaar.
Die vochtigheidsgraad van de kelder is van kapitaal belang voor de kwaliteit van de Armagnac. Als de kelder verzadigd is met vocht, gaat vooral de alcohol verdampen en kan men de armagnacs niet lang op hout laten verouderen omdat het alcoholgehalte snel zakt. Maar als de kelder daarentegen droog is, wordt de waterverdamping bevorderd, gaat de Armagnac uitdrogen en moet hij worden aangelengd met water omdat het alcoholgehalte te hoog wordt. (In extreme gevallen, als er meer water verdampt dan alcohol, ligt het uiteindelijke alcoholpercentage van de Armagnac hoger dan aan het begin – dit komt zelden voor, maar het is mogelijk).
Door de band kunnen we stellen dat de vochtigheidsgraad in een kelder van die aard is dat een eau-de-vie die met een alcoholgehalte van 52 à 62° werd gelagerd, na 15-20 jaar nog maar een gehalte van 40° meer overhoudt!
Daarom heeft men het ook over “Armagnac réduit” of “non réduit”: het tweede duidt op een Armagnac die op natuurlijke wijze het op de fles vermelde alcoholgehalte heeft bereikt, terwijl een “Armagnac réduit” is aangelengd met gedistilleerd water (of een mengeling van Armagnac en gedistilleerd water, samen gerijpt op hout en met een alcoholgehalte van ongeveer 25°, dit om de geur- en smaakcomponenten niet te veel te verdunnen).

Besluit

U bezit een hectare grond, beplant met Folle-Blanche. U haalt 100 hectoliter druiven binnen en moet er daarbij op toezien dat ze van optimale kwaliteit zijn. Na de gisting heeft u daarvan 7000 liter wijn met een alcoholgehalte van 8°, die u distilleert. U krijgt 1000 liter eau-de-vie met een alcoholgehalte van 56°, die u inkuipt. Wat u dan nodig heeft, is heel veel geduld. Jaar na jaar ziet u uw toekomstige flessen één na één verdampen en het niveau in de vaten zakken. Na vijftien jaar heeft u, als uw kelder de juiste vochtigheidsgraad bezit, nog 500 liter Armagnac over.
Behalve het feit dat u pas na 15 jaar iets terugziet van de kosten voor het bewerken van de wijngaard, bent u nu de gelukkige bezitter van 750 flessen. Uiteindelijke opbrengst: 5 hectoliter per hectare!

Voor meer “Sticky/Spirits/Beer”, klik hier

Geef een reactie