Brunello de Montalcino

Het Toscaanse stadje Montalcino ligt boven op een heuveltop, zowat 600 m hoog. Het domineert vanop haar heuvel het prachtige terroir met zijn dalen en glooiingen. In de winter waait er een ijzige wind door de middeleeuwse steegjes die onversaagde journalist onderkoelt die tegelijk de moed heeft de besneeuwde paadjes tussen de wingerds te trotseren. Een bericht van een appellatie die complex is omwille van zijn diversiteit.

In de jaren 60 was de beplante oppervlakte slechts 63 ha. In ‘80 reeds 626, 1.250 in ‘93 en thans 1.450 ha. In tien jaar tijd is het aantal Brunello-wijnbouwers verdubbeld. De Consorziolijst telt vandaag 172 bottelaars en 200 leden. In 1975 waren ze slechts met 25, in ’95 al met 120. Dit toont aan dat de interesse voor deze wijn in de jaren 90 gestegen is en de prijs ook. Het was niet altijd zo. In de jaren 60 en 70 bijvoorbeeld was het leven er nog erg ruraal. De vrouwen waren nog steeds in het zwart gekleed, jeans kenden zij niet. En Brunello bleef, behalve in de regio zelf, erg onbekend en zeer traditioneel, getrouw aan zijn origine.

Terug naar de “roots”.

De geschiedenis van Brunello begint in 1866. Ene Ferrucio Biondi-Santi selecteert in zijn wijngaard een bijzonder type sangiovese. Hij kent deze druivelaar, de sangiovese grosso, vele kwaliteiten toe, vooral tannineconcentratie, wat beter veroudering toelaat. Met deze variëteit –hij noemt die Brunello – creëert hij het concept: “Brunello, un vino da invecchiamento”. De volgende generatie wijnbouwers diepen deze benadering nog meer uit om wijnen te maken die lang in botti, foeders van Slavonische eik met 10 tot 100 hl inhoud, bewaard kunnen – moeten – worden.

Als medio de jaren 60 de regels voor de DOC-“disciplinare” opgesteld worden, verwijst de wetgever naar de filosofie van Biondi-Santi. M.a.w. ten minste 4 jaar bewaring vanaf de 1ste januari volgend op de oogst, waarvan drieënhalf jaar op hout. Deze lange bewaring in foeders geeft een wijntype dat vroegtijdig afgeleefd is, mager en geen fruit heeft maar wel een hoge vluchtige zuurheid.

De weg naar het modernisme.

De kwaliteitsevolutie die de wijnwereld gedurende de jaren 80 en 90 in Europa karakteriseert, heeft ook gevolgen voor Montalcino. Vele investeerders van buitenaf kopen regelmatig wijngaarden aan. Als men zich bewust wordt van het archaïsche karakter van de traditionele Brunello, ontstaat de wil om de productieregels te moderniseren. Dat gebeurt in twee tijden. Eerst wordt de bewaartijd tot drie jaar teruggebracht. Daarna, in 1996, verandert men ingrijpender. Nieuwe voorwaarden die moeten gevolgd worden om de DOCG te bereiken: lagering van ten minste twee jaar in eikenhouten tonnen, ten minste 4 maanden lageren in fles (6 maanden voor de Riserva). Maar opgelet! Pas na 5 jaar na het oogstjaar verhandeld (6 jaar voor de Riserva).

Wat is het gevolg? De Brunello mag dus pas na vier jaar en enkele maanden gecommercialiseerd worden. De jaargang die nu, in de eerste trimester van 2004 op de markt komt, is de 1999. Deze heeft dus tussen de twee à vier jaar in hout gelagerd en verouderde vier maanden tot twee jaar en enkele maanden in fles. De wijnbouwer kan de houtlagering in tijd vrij interpreteren, maar meer en meer streeft men naar 24 maanden. Dat is al een eerste reden van diversiteit waarvan sprake in de inleiding. Maar dat is lang niet alles. Een steeds groter aantal wijnbouwers gebruikt meer en meer de eikenhouten (Franse) barriek, nieuw of gebruikt, met een inhoud van 225 of 500 l. Enkele wagen zich zelfs aan een malolaktaat in barriek, met zuurstofopborreling (“microbullage”) en met of zonder oproeren van de droesem (“bâtonnage”). Anderen blenden botti en barriek. Kortom, dit is de tweede reden van diversiteit en onderlijnt in meer of mindere mate de verscheidenheid. De derde factor betreft de verschillende bodemtypes.

En de Rosso dan?

Werd in de jaren 60 gecreëerd, omwille van de financiële moeilijkheden die de producenten in die tijd ondervonden. Zij konden de lageringsduur, die de Brunello’s door de nieuwe “disciplinare” ten minste vier jaar in de kelders hield, niet langer meer bekostigen. Daaruit ontstond het idee een type tweede wijn te creëren, die al na één jaar kon verkocht worden. Zij noemden hem: “Vino Rosso dai Vigneti di Brunello”. In ’79 werd deze categorie bevestigd met de DOC: “Rosso di Montalcino”. Deze bleef lange tijd het kleine broertje van de Brunello, voor  wie het beste werd weerhouden. In de moeilijke jaargangen, zoals 2002, kon men er op terugvallen om de wijnen die niet aan de kwaliteitsnormen van een Brunello  voldeden, te “declasseren”. Niettegenstaande dat, ziet men de laatste jaren de wil bij verschillende wijnbouwers om Rosso’s te maken die veel fruit en een sappig tannine hebben, alhoewel minder complex en minder krachtig dan een Brunello, maar zeker zo aangenaam. De prijzen zijn dat ook en situeren zich tussen de 12 en 15 euro.

En de druivelaar dan?

In de meeste van de 32 bedrijven die ik bezocht, kwam steevast de bewaarproblematiek aan bod. Daarentegen hadden maar weinigen het over het werk in de wijngaard, alsof het daar vanzelf ging. Wel vertelden ze erbij dat eens een wijnstok de dertig jaar ouderdom benadert, ten hoogste veertig, hij gerooid wordt. In reactie op mijn verwondering – en de “vieilles vignes” dan? – werd mij geantwoord dat er in de jaren zeventig nogal veel erg weelderig producerende onderstammen werden aangeplant die dunne wijnen gaven. Er waren dus maar weinig kwalitatieve redenen om nog langer te wachten om die te vervangen.

Nochtans moet men in de wijngaard de derde diversifiërende factor zoeken. De 3.000 beplante ha op het grondgebied van de gemeente Montalcino komen overeen met de toegelaten productiezone. Het gebied wordt door drie riviertjes afgebakend en heeft bijna de vorm van een cirkel met een diameter van 16 km en een oppervlakte van 25.000 ha, waarvan 50% bos en slechts 8% wijngaard. De aanwezigheid van verschillende liggingen, zwakkere of steilere hellingen, verschillende hoogteliggingen, van 150 tot 620 meter, zorgen voor erg veel verschillende microklimaten. Met het risicode op enkele onnauwkeurigheden kan men het terroir in verschillende zones indelen. Het zuiden, warmer, produceert rijke en krachtige wijnen. De hellingen aan de voet van de stad, in de noordelijke richting met de heuveltjes Montosoli en Val di Cava benadrukken meer evenwicht in de minder krachtige wijnen. De sneller drinkklare Brunello’s komen van de lager gelegen zones, dichter bij de grens van het afgebakende gebied. Sommige eigenaars trachten zowel in het noorden als in het zuiden wijngaarden te verwerven, zodat het specifieke van elk zone gecombineerd kan worden.

Voor andere artikels van ‘Op reis met IVV’, klik hier

 

Geef een reactie