Côte Rôtie, gezien van zijn mooiste zijde.

17/09/2020 - Na een 2400 jaar bestaan, zo vermeldt de prospectus toch, werd de wijngaard van Côte Rôtie zwaar belaagd door twee nachtmerries. In eerste instantie was er aan het einde van de 19de eeuw de luizige Phylloxera. Vervolgens had W.O.I de rangen van zowel de wijngaard als de wijnboeren zodanig uitgedund dat er na het conflict in 1919 nog maar 40 ha overbleven. Vandaag echter, blaakt Côte Rôtie opnieuw van gezondheid. De oppervlakte van de wijngaard bedraagt 203 ha (volgens de aangifte van 2000). De voorraden smelten weg als boter voor de zon en de prijzen lijken wel door een inflatoire virus aangetast. Is het gebakken voor de Côte Rôtie of al aangebakken? Trek uw bergschoenen aan en volg de gids.

Was Côte Rôtie gedoemd om te verdwijnen?

Dat was zonder rekening te houden met enkele lokale koppigaards die, met een onverwoestbaar vertrouwen, hun leven riskeerden (of waren het steenezels) om de steile hellingen opnieuw met syrah en ook wat viognier beplanten. Net na W.O. II viel er nochtans meer te verdienen met het verbouwen van fruit en groenten in de vlakte, dan aan een touw – “en rappel”- druiven te plukken. In 1946 verliet Etienne Guigal het legendarische wijnhuis Vidal-Fleurie. En terwijl de families Jasmin, Gentaz, Dervieux en Gérin eveneens druk doende waren in hun kelders, stichtte Guigal zijn eigen bedrijf. Toch werd het wachten tot de jaren 70 en 80 om een echte opleving van de regio mee te maken. Betere wegen zorgden er immers voor dat in die jaren het gebied heel wat toegankelijker werd en zodoende een nieuwe generatie wijnbouwers lokte naar de talrijke terrassen die nieuw leven in deze boeiende zone brachten. Vrij recentelijk werd trouwens nog een dreigende klip, in de vorm van een autotunnel, omzeild. Wat nog maar eens bewijst dat er ter plekke invloedrijke personages actief zijn. 

Niets anders dan hellingen

Iedereen kent het verhaal van het heerschap Maugiron, die het kasteel van Ampuis bewoonde (hij was zowaar de Marcel Guigal van zijn tijd). Hij liet zijn twee dochter wijngaarden na, die later als côte brune en de côte blonde erkend werden. Uiteraard is het de bodemkwaliteit die voor het onderscheid zorgt. Trouwens achter die vereenvoudigde tweedelige opdeling schuilt er een complex veelvoud van bodems en hellingen.
De Côte-Rôtie strekt zich ten zuiden van Vienne uit over een achttal km, langs de rechteroever van de Rhône. De wijngaard ligt verdeeld in drie gemeenten: Saint-Cyr-sur-Rhône ten noorden, Tupin-en-Semons ten zuiden en Ampuis, waar het grootste gedeelte van de wijngaarden ligt, er middenin. Terwijl de wijngaarden een onwezenlijk prachtige aanblik geven, lijdt Ampuis onder het versmachtend verkeer van de RN 86 dat er doorheen dendert.
Een brede beek, Le Reynard, verdeelt het territorium in twee grote stukken: de côte brune en de côte blonde. Het bodemtype onderscheidt de twee zones. De grond van de côte brune is donkerder en ook roder omwille van het ijzererts in de klei die de micaschistes bedekt. In de côte blonde vindt men meer granietresiduen, het oxide is okergeel en de grond lijkt lichter dankzij de aanwezigheid van kalk en zand. In de realiteit echter brengen de Côte brune en de Côte blonde niet altijd het allerbeste. Het zijn twee plaatsnamen, van elk goed 10 ha, die in het kadaster zijn opgenomen en in 1957 naar de regels werden afgebakend. Daarom kunnen slechts de enkele eigenaars die benamingen afzonderlijk aanwenden voor hun product. Exit met de vermelding “Côtes Brune et Blonde”. Guigal verving het door “Brune et Blonde de Guigal”. Spijtig voor de koper, hij kan de plaatsnaam niet meer aflezen.

Op een plateautje bediend

Toen voor 95 de klimaatsomstandigheden minder gunstig waren – lees 94.92 en vooral 93, toen neerslag en rotting de oogst – hekelden sommige media de uitbreiding van de wijngaard aan de voet van de helling en op het plateau. Hoe zit het daar nu mee? Er blijven vandaag, midden in de afgebakende zone, een 50-tal niet ontgonnen ha. Naar rato van 5 ha per jaar, zal over tien jaar het maximum bereikt zijn. Steile hellingen! Daar draait het om. Hellingen naar het Z-ZO gericht met een hellingsgraad van soms 60%, ideaal naar de zon, goed beschut voor de striemende noordenwind en zijn nefaste gevolgen, op terrasjes die door muurtjes ondersteund zijn, de grove steenslag die de zonnewarmte ideaal opslaat en verdeelt in de wijngaard. Toch een minpunt dat niet te verwaarlozen is: de kans op waterschaarste is met deze zeer goed waterdoorlaatbare bodem erg groot.

De grond aan de voet van de hellingen hebben meer diepgang en houden het vocht beter op, waardoor de druiven sneller rijpen. Maar zoals altijd moet wie mooi wil zijn, pijn lijden en dus moet men het hoger op de hellingen zoeken. Ook weer niet te hoog, want boven de 330 m komt men op het verwenste plateau, waar reeds 25% van de aanplant te vinden is. In de periode dat nieuwe aanplantingen nodig waren om aan de heropleving van de commerciële activiteit, was dit de oplossing. Daarboven heeft de grond ook meer diepgang en wordt het vocht ook beter opgehouden. Daartegenover rijpen de druiven tot een week later, wat dan weer de wijnbouwers de kans biedt hun oogstmomenten en wijnbereidingen te spreiden. Men zou zich, zoals dat het geval is in Saint-Joseph, een nieuwe afbakening van de productie kunnen indenken, maar dat is dagdromen. In deze euforische conjunctuur is elke druivenlaar zijn gewicht in goud waard. Een kleine rondrit daarboven leert ons dat slechts een klein gedeelte in de rand van de wijngaard horizontaal ligt, terwijl het bij enkele rijen verder al steil bergaf gaat. Bepaalde velden zoals de Mornachon, helemaal op het plateau, kennen minder diepgang en brengen een goed minerale wijn voort. Deze wijnen kunnen in een goed doordachte assemblage dienen om in bepaalde jaren een beter smaakevenwicht te brengen. Een aantal goede wijnbouwers heeft er en vermengen ze goedschiks in hun cuvées. Natuurlijk rijst er een probleem. Zeker wanneer deze wijnen het hoofdaandeel vormen van een cuvée van een wijnboer met een piepkleine wijngaard, waar niets verloren gaat. Of erger, als een handelaar zijn oog laat vallen op datgene wat men hem wil niet verkopen.

 
Een titanenwerk.

De syrah van de Rhônevallei is voor de wijnamateur een hemel op aarde, maar de werkomstandigheden in de wijnbouw geven veeleer een voorsmaakje van de hel. Kan U zich de energie voorstellen die nodig is om op die flanken druivenlaars aan te planten of te behandelen tegen ziekten. Onnodig te zeggen dat het een ongelijk strijd is. De wijnbouwer streeft steeds een zekere efficiëntie na. Hij wordt daarin geholpen door de heilzame strakke wind die al het vocht wegblaast en de wijngaarden gezond houdt.

Twee problemen kunnen roet in het eten strooien van de ambitieuze doorzetters: erosie en gras. Om aan het eerste probleem tegemoet te komen, werden horizontale geultjes aangelegd om de snelheid van het water af te remmen. Het gras, een concurrent van de wijnstok, wordt met traditionele chemische verdelgers bestreden. Er zijn er nog die het onkruid nog met het houweel te lijf gaan, maar dat kost dan weer meer tijd en geld. Op mijn vraag hoe zij de grond omploegen, werd ontwijkend geantwoord. Er zijn er die, zoals Gilbert Cluzel op zijn 3,5 ha, zich met een lier behelpen. Een ervaren wijnboer, zeker niet de slechtste, beweert dat het omploegen het wegspoelen van de grond bevordert, zeker in de jonge aanplantingen. In Bourgogne heeft dit al goede resultaten opgeleverd, maar op de steile hellingen van de Rhône? Ik weet het niet goed en wil zeker de slimste niet gaan uithangen. Een andere experimenteert met biologische cultuur en spreekt over een beter alcoholrendement, betere fysiologische rijping en zuurheid. Maar de toepassing ervan op grotere schaal is vrijwel ondenkbaar, gezien de hoge kosten en tijdsbesteding. 

De (wijn)stok achter de deur.

Vóór de Phylloxera werden de druivenlaars “en cabanne” langs drie staken opgebonden en elke wijnstok werd in een lange “Guyot à arcure” gesnoeid. De twijg werd zo opgebonden dat die een halve cirkel vormde, zodat het sap op de bevruchte knopjes geconcentreerd werd, omdat de twee eerst het niet waren. Na de verwoestende passage van de luis, moest alles herzien worden. De driepoot werd door twee staken vervangen, men behield de wijze van opbinden, maar de ranken werden gelijnd om het werk met het paard te vergemakkelijken. Nadien kwam de snoei in bekervorm (“en gobbelet”) op de proppen. Het probleem met het knopje was opgelost en de twijgen werden op twee ogen gesnoeid, waarbij het gebladerte nog steeds op staken geleid werd. Ook de klonen van de syrah werden ook zo gesnoeid en thans is de bekervorm nog steeds de meest aangewende snoeivorm in de Côte Rôtie. Op de hellingen van de Hermitage staan de wijnstokken er elk met hun staak, maar op de Côte Rôtie moeten de wijnstokken per twee weerstand bieden aan de hevigheid van de strakke wind. Naast de bekervorm (die het rendement van de klonen beperkt) en de Guyot-vorm (die het rendement van de massaal geselecteerde bevordert), vindt men de “cordon de Royat”-snoeiwijze in haagvorm die op de zachtste hellingen goed rendeert. De viognier wordt doorgaans in boogvorm gesnoeid. De Côte Rôtie telt ook een aantal zeer oude wijngaarden. La Mouline bijvoorbeeld, maar die zag zijn oppervlakte verdubbeld. Het zal nog wel een 20-tal jaren duren om te zien of dat mooie wereldje er zich goed heeft aangepast en doordrongen is van de subtiele eigenheden van het terroir.
De wijnbouwers legden een soort archief van oude wijnstokken van de “servine”, bijnaam voor de syrah, aan. Ook voor de viognier. Het is de best denkbare reactie om zich tegenover so-called revolutionaire vernieuwingen in te dijken.
Zelfs met een densiteit van 10.000 wijnstokken per ha, mag het rendement niet boven de 40 hl/ha uitstijgen. De PLC (plafond limite de classement) bedraagt 10% en door de meeste wijnboeren aangevraagd. Naast enkele wijnstokken die vooral op meer gesnoeid werden, getuigen de druivelaars van de ernst van de eigenaar: ontbladeren, matige bedruiving (groene oogst) en een perfecte verzorging.

 

Het glas kleurt purperrood

Minder rustiek dan een Cornas, verfijnder dan een Saint-Joseph en meer structuur dan een Crozes. Er blijft dan maar één uitdager over: Hermitage. Côte Rôtie is misschien wel wat slanker en rechtlijniger. Vergeten we hierbij toch niet dat de Hermitage een meer mediterraan klimaat kent. Men oogst er doorgaans een week vroeger tegenover Côte-Rôtie, dat eerder semi-continentale omstandigheden ondergaat. Maar dat is toch muggenziften en een blinde degustatie zal dat alles opnieuw in vraag stellen.

Wie denkt met 2 anthocyanen en 3 druppels alcohol het portret te kunnen schetsen van een Côte Rôtie zal al gauw op een grote verscheidenheid stoten. Uit het noorden van de appellatie komen meer robuustere wijnen, van uit het zuiden zijn eleganter en verfijnder. De bodem zal hierbij ongetwijfeld een rol spelen. Ook de inbreng van de viognier die in het zuiden beter groeit, draagt in de verfijning haar steentje bij. Deze druif werd in het decreet van 1940, bij het oprichten van de AOC, weerhouden. Volgens de lokale, loyale en constante gebruiken rekent men sindsdien op deze druif om het aroma te schragen en de hevigheid van de syrah te temperen. De aanplant varieert van 5 tot 10%. In oude aanplantingen is het een verworven recht, maar men kan zich de vraag stellen of viognier aanplanten nog nut heeft in nieuwe. De syrah, misschien wel de meest enthousiaste druif ter wereld na de pinot noir (he,he!), is wellicht groots genoeg om zich alleen uit de slag te trekken.
Ik herinner mij mijn eerste ervaringen met Côte-Rôtie, jaargangen 85 tot 90, met soms ontzettend veel tannine en walmen van teer en gebrande caoutchouc. Gelukkig worden die buitensporige fenolische waarden vandaag in toom gehouden dankzij een perfecte rijpheid van de druif en correcte wijnbereidingen (temperatuurscontrole, aan het einde van de gisting goed boven de 30°C gehouden). De bewaarmogelijkheid wordt er bovendien niet door benadeeld. De meeste wijnbouwers streven een zuiver aroma na en trachten de fameuze tonen van reductie, snel merkbaar bij syrahwijn, te vermijden. Ze behelpen zich met goed beluchten en microbullage. Het volledig of gedeeltelijk ontristen veralgemeent zich en het raster dat de moerkoek moet ondergedompeld houden wordt nog slechts door enkelen aan het einde van de gisting aangewend. Het warm ontkuipen en oversteken naar vaten draagt bij tot een betere verweving van het hout (20 tot 100% nieuw en gedurende 2 jaar) in de wijn. Bij de groten van Côte-Rôtie werd het moderne materiaal binnengehaald, maar dat zou toch niet mogen leiden naar aseptische zielloze wijnen. De wat vlezige, gebrande of animale tonen, eertijds weliswaar versterkt door de ouderwetse vergisting, maken integraal deel uit van de typering van het fameuze terroir. Naargelang de jaargang en de oorsprong kan de syrah, grillig als een star, zich gedurende drie jaar sluiten om dan weer stralend te voorschijn te komen. 

Een populariteitsgraad zo steil als de helling zelf.

De wijnboeren van de Côte-Rôtie vertellen maar al te graag, en met wat ironie, dat men op een andere breedteligging meer kans loopt op ontgoochelingen. En dan bedoelen ze zo’n 200 km hoger. Ik kan alleen maar goedkeurend toestemmen, temeer omdat 99 voor heel wat, matige, wijnbouwers een steun in de rug was. In 2000 zal de hiërarchie hersteld worden. Alhoewel er ter plekke goedkopere en minder ambitieuze Côte-Rôtie kan geconsumeerd worden, zijn de wijnen voor de export nogal hoog geprijsd. Dit zal zeker de bres met het elitair groepje consumenten, weliswaar trouw en die de wijngaard de mogelijkheid boden zich te ontplooien, nog vergroten. In andere wijngaarden spreken ze trouwens al van een ravijn. Hopelijk houden de wijnbouwers het hoofd koel en gaat de wijngaard, eertijds door de Romeinse bezetting getekend, niet op zijn lauweren rusten.

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie