De Graves van Pomerol

De terroirs van Pomerol hebben één gemeenschappelijk element : grind. Maar over welke grind gaat het en waar komt die vandaan ?

De grindbodem van Pomerol, net zoals de Medocaanse grindbultjes, werden zowat 4 miljoen jaren geleden in het Quartair gevormd. Toch zou die grind er niet terechtgekomen zijn zonder het voorbereidende werk in het Tertiair.

Het leggen van de fundering

Het Tertiair wordt trouwens het “bouwtijdperk” genoemd. Het kende de grootste mariene sedimentatie met vorming van kalk- en zandsteenafzettingen. De gehele Gironde ligt op zulke ondergrond. Naar het einde van deze periode ontstonden enorme tektonische verschuivingen. Tijdens het Plioceen, de bovenste en laatste serie van het Tertiair, modelleerden die intense tektonische verschuivingen de huidige valleien waarin zich het huidige rivierenstelsel heeft genesteld. Zo bevond het dorp Pomerol zich op dezelfde hoogte als Saint-Emilion en Fronsac. Die tektonische activiteit had ook voor gevolg dat de waterlopen zich op de “Fronsadais”-zandsteen afzetten. De Isle vormde haar bedding door geleidelijk van West naar Oost te glijden (verder weg van Saint-Emilion en dichter bij de Fronsadais).

De grindafzettingen.

Die situeren we in het Quartair en wel in een tweedelig ritme: afzetting afgewisseld met erosie, enz. Enerzijds zijn er de verschillende periodes van grintafzettingen, anderzijds de periodes van erosie. Men verdeelt ze in 4 alpine afzettingen of vergletsjeringen : Günz, Mindel, Riss en Würm. Bij Günz hoort het “haute terrasse” van Pomerol met Evangile, La Conseillante, Lafleur Pétrus e.a., maar ook Figeac. Daarna volgde een sterke erosieperiode: de rivier ging wilder stromen, groef een diepere bedding en brak ook een deel van het eerste terras af. De tweede afzetting, Mindel, vormt wat men “la terrasse moyenne” noemt en leunt tegen het eerste aan. Opnieuw, zoals na Günz, zorgde erosie voor de gedeeltelijke afbraak van het middenterras. Vervolgens vormde de derde periode, Riss, de “terrasse basse”, ook hierop volgde een nieuwe periode van erosie. Tot slot modelleerde een grindafzetting tijdens de Würm de “très basse terrase”.
Tussen de periode van Günz (1,3 miljoen jaar geleden) tot Würm (30.000 jaar geleden) loopt één miljoen jaar.


Al komen in de vier grindafzettingen keien voor, toch hebben die elk hun eigenheid. De vergletsjering- en de dooiperiodes die meerdere stortstromen en ook grindafzettingen veroorzaakten, hadden niet steeds dezelfde kracht. Sommige stormperiodes waren krachtiger dan andere, waardoor de grootte van de keien verschillend is. Het stroomopwaarts gevormde puin was verschillend van aard. Bij de rivierafzettingen vormden zich gelijktijdig ook nog eolische sedimenten.
Afsluitend. De verschillende terrassen zijn als volgt te typeren: het hoge terras van Günz bevat veel keien, kwarts, silex en zand. Het middenterras, Mindel, bestaat uit zanderig grind en is deels bedekt met zand. In het lage terras, Riss, vindt men fijne grind terwijl het zeer lage terras, Würm, veeleer zanderig is. Noteren we dat alle terreinen min of meer klei en slib bevatten.

Recente erosies.

De Würmlaag bevat de meest grove sedimenten, de erosie vervolgt er haar werk. De boorden van de terrassen werden meegesleurd en liepen over in de lager gelegen terrassen en dat vormde overgangslagen. Beken, zoals de Taillas, hebben zich ingegraven in de terrassen en bieden daar morfologische en pedologische varianten. Ook zanderige eolische sedimenten hebben zich in de terrassen ingebed.

De verschillen met de Médoc.

Er bestaat inderdaad een grote gelijkenis tussen het grind van Pomerol en dat van de Médoc. Maar er zijn ook verschilpunten. Vooral door de verscheidenheid van het landschap waar de grindvorming voorkomt.
Enerzijds is er de asymmetrie tussen de twee oevers door de verzakking van de Tertiaire klei-kalklaag en de inbedding van het rivierenstelsel. Anderzijds is er de periode van afzetting en de erosieperiode waarin de grindbultjes (“croupes”) gevormd werden.
Als men afzettingen als terroir interpreteert, kan men evenwel andere invloeden niet buiten beschouwing laten, zowel van vóór als van na die afzettingen.
De grindlagen van Pomerol leunen aan tegen de sliblagen die we in Fronsac of in de zuidelijke rand van Saint-Emilion terugvinden. De grindbultjes van Médoc zetten zich, vanaf Margaux tot Saint-Estèphe, echter af tegen een kalklaag. Zowel klei als slib, in de ondergrond, vermengen zich in allerlei verhoudingen met de bovenlaag van grind.
De grindstroken van Pomerol zijn ook nog vermengd met andere afzettingen: zoals silexkeien uit de Perigord, die door fijn zand gepolijst werden. Daartegenover zijn de Médocaanse “croupes” vermengd met grind uit de Pyreneeën, dat dan weer door het zand van de Landes afgerond werd.

De kwalitatieve hiërarchie van de terrassen

De beste terroirs zijn in principe deze van de “haute terrasse”, in plateauvorm rondom Pétrus. Indien men de exceptionele Pomerolwijnen groepeert naargelang hun karakter, complexiteit en regelmaat, bevinden die zich allemaal op het oude terras bestaande uit Günzgrind.
In theorie dankt de grindbodem zijn kwaliteit aan zijn draineervermogen, het opslaan van de warmte en de weerkaatsing van het licht.
De kwalitatieve efficiëntie en de finesse die hierdoor in de wijn te noteren valt, worden beïnvloed door het conglomeraat van keien : gaande van zanderig, klei-zanderig, kleiachtig tot mergelachtig. Ook de hoogte van het grondwater zal een rol spelen: is dat niet te hoog zodat de wortels niet te verzadigd zijn, is dat hoog genoeg om de druivelaars in het geval van droogte voldoende vochtigheid te laten.
De verschillende soorten grind in de bodem van Pomerol benadrukken vrij goed het verschil in kwaliteit van die bodem. In principe stijgt men in de hiërarchie door van de jonge lagen naar de oudste te gaan, van de fijnste tot de grofste korreligheid, van vette naar arme bodem. Maar er bestaat ook een verschil in beplante percelen van dezelfde oorsprong. Zo bijvoorbeeld loopt het terras van Günz door tot op de andere oever van de Barbanne, in Lalande de Pomerol. Hier is de “haute terrasse” evenwel bedekt met slib (op uitzondering van een dunne strook langs de beek).
Het is ondenkbaar om uitsluitend met de wetenschap van waar de grind afkomstig is, met grote precisie de grandeur van de percelen in een eigendom te situeren. Die grandeur hangt af van de bijzonderheden van elk perceel en daarbij wordt de inbreng van de mens zelf nog niet gerekend, ook al is die toch onafscheidelijk van de eigenheid van elk terroir.

De uitzonderlijke uitzondering
Precies! Men kan zich geen mooiere uitzondering indenken dan die van Pétrus. Pétrus, “le roi de Pomerol”, het legendarische Pétrus. Maar Pétrus is wel degelijk de uitzonderlijke uitzondering op de regel m.b.t. de grind van Pomerol : precies omdat er geen grind is (of zeer weinig) op Pétrus.
In het midden van het hoge terras van Günz, verbergt zich het pareltje. Op zowat 40 m hoogte bevindt zich een twintigtal ha zonder de minste grind. De ondergrond bestaat uit een “knoopsgat” slib (boutonnière). Deze slibbult was in het Quartair zo hoog dat die niet door Günz-grind kon bedekt worden en die heeft er zich dan maar netjes rondom afgezet.
De erosieperiode na de Günz heeft dit bult compleet afgesleten. De volgende erosieperiodes hebben de sliblaag verder afgebrokkeld, hebben ook wat grint in de rand afgezet en brachten zand en mergel zandsteen.
Kortom, behalve zijn merlot is Pétrus niet erg “Pomerol” (wat de bodem betreft). De wijngaard bestaat hoofdzakelijk uit zand, kleiaanslibbingen vermengd met wat keien tot op een halve meter diepte. Daaronder is de bodem rijker aan klei en vanaf één meter diepte begint het rijk van de kalkzandsteen.

De verdienste van de “crasse de fer” : mythe of realiteit.
Er wordt nogal eens beweerd dat de grote wijnen van Pomerol hun eigenheid te danken hebben aan wat men in de Libournais gewoonlijk de “crasse de fer” of ook nog ijzerslakken noemt. Deze “crasse” is een accumulatie van ijzer in zijn geoxideerde vorm in de horizontale geledingen van de bodem die, naargelang het perceel enkele tientallen cm tot meer dan één meter dik zijn.
In het begin was het een accumulatie van tweewaardig ijzer (ferro-ijzer) dicht bij het grondwater. Wanneer het grondwater daalde, oxideerde dit ijzer. Bij een belangrijke accumulatie kan dat roest zich vermengen met zand en dan cement vormen.
Welk is het nut voor de plant ? Moeilijk om aan te tonen. Daarentegen wijst dit laagje “crasse de fer” op de hoogte, nu en vroeger, van het grondwater. Wanneer dat jaarlijks optreedt is dat niet altijd een goed teken. Ook werd er aangetoond dat de wortels aan de bovenkant van het ijzer weinig vertakt zijn. Dus lijkt het er veeleer op dat de wortels niet veel van dat ijzer lusten.
Niettemin is het juist dat Gérard Seguin, oud pedologiechef van het Institut d’Oenologie van Bordeaux, onderlijnde dat de ijzerlaag, die de voorlopige hoogte van het grondwater aangaf, ook de voorlopige waterbevoorrading van de wortels aangaf. Hij voegde er aan toe dat dat voordelig kon zijn op voorwaarde dat het niet steeds opnieuw en zeker niet tijdens de rijping gebeurde.
Die discussie betrof eertijds echter de diepe grindbodems van de “croupes” in de Médoc en niet de waarde van het ijzer in het algemeen.
De deugdzaamheid van de “crasse de fer”, als bijzonder kenmerk voor de grote Pomerols, lijkt bijgevolg een interpretatie – uit eigenbelang – te zijn van Gérard Seguin’s woorden. Maar wie weet dat op een dag een wetenschapper kan bewijzen dat deze mythe wel degelijk reëel is.

Voor andere artikels van ‘Op reis met IVV’, klik hier

Geef een reactie