De witte premiers crus uit de Côte de Beaune

25/11/2020 - Wat een mooie bestemming voor een climat ! Tussen Ladoix en Maranges bevinden zich een heel pak gronden waarvan de druiven voorbestemd zijn om als premier cru gebotteld te worden. Ze situeren zich halverwege de heuvels, grenzend aan de grands crus, en staan synoniem voor chardonnays die getuigen van meer “diepgang”…

Indien de Côtes de Nuits het absolute koninkrijk vormt voor de pinot noir dan is dat al veel minder duidelijk voor de Côte de Beaune waar de twee grote Bourgondische rassen hand in hand gaan. De pinot noir vinden we vooral terug in Pommard, Volnay of op de heuvels van Corton. Hier heeft hij reeds vele jaren geschiedenis geschreven. Maar ook de chardonnay wist hier al heel wat annalen van de geschiedenisboeken te vullen. De Côte de Beaune begint aan de voet van de zuidelijke muur van het Clos des Langres dat zich in Corgoloin bevindt – trouwens nog steeds in de Côtes de Nuits – om verderop heel wat gemeentes te doorlopen tot in Maranges, of zeg maar de voet van de Côte Chalonnaise. De familie van Corton (tweekleurig) en de trilogie gevormd door Meursault, Puligny en Chassagne (gedomineerd door wit) zijn de smaakmakers van dit stukje Bourgogne. Andere sterkhouders zijn ongetwijfeld de gemeentes Saint-Aubin en Monthélie. Ze verdienen dan ook heel wat aandacht.

Gunstige omstandigheden

Iedere Bourgogneliefhebber kent het liedje maar al te goed: de Côte d’Or heeft veel te danken aan een plotselinge ineenstorting van de vlakte van Bresse (60 miljoen jaar geleden), waaruit de heuvels ontstonden die afgerukt waren van de zeebodem tijdens het Juratijdperk (150 miljoen jaar geleden), en nadien te kampen kregen met tijdelijke onzekerheden (instortingen, verzakkingen, erosie…). De geologische breuk toont duidelijk een golvende beweging aan in de vorm van een boog (anticlinaal) ter hoogte van Gevrey-Chambertin en een uitholling bij Volnay (synclinaal). Deze bijzonderheid verklaart het aanpassingsvermogen van het druivenras aan het terroir, want het zichtbaar worden dateert uit verschillende tijdsperiodes: het midden Juratijdperk met zijn bruine kalkachtige gronden die de Côtes de Nuits ondersteunen; het midden en late Juratijdperk, de Côte de Beaune. De late Juraperiode, gekarakteriseerd door mergelgronden, spreidt zijn overwicht uit van Ladoix tot Monthélie; vanaf Meursault komt het midden Juratijdperk opnieuw aan de oppervlakte, maar in tegenstelling tot de Côtes de Nuits bestaan de gronden tot in Chassagne nog steeds uit mergel. Verderop, tot in Santenay en op de zuidelijke flank van het synclinaal, teffen we eerder kalkachtige rotsgronden aan.

Deze geologische verscheidenheid toont duidelijk de spreiding van de druivenrassen aan: hier de pinot, daar de chardonnay. Toch is dit slechts een “algemeen” beeld. Wanneer je er de historische wijnliteratuur op naslaat, stoot je al snel op enkele verrassingen. Zo is er Jules Lavalle (1855) die in Puligny vaststelt dat “het grootste gedeelte van de wijngaard in beslag genomen wordt door de aanplant van gamet”. Hij voegt er nog aan toe: “op het middelste en het hoogste gedeelte van deze prachtige helling maakt men witte wijnen van een uitzonderlijke kwaliteit én schitterende rode wijnen die met de besten uit de Côte de Beaune kunnen vergeleken worden”. Sinds een twintigtal jaren neemt het succes van dit witte ras spectaculair toe. Het zet de wijnbouwers aan om dit ras nog meer aan te planten, met opvallend gunstige resultaten, indien men rekening houdt met de pedologische karakteristieken. Chassagne-Montrachet is hier een sprekend voorbeeld van. In deze gemeente waar de twee kleuren vertegenwoordigd zijn, gaat de chardonnay er langzaam op vooruit. Opvallend is echter wel dat ze nu plaatsen inneemt die vroeger uitsluitend voorbehouden waren voor de blauwe pinot. Een gegeven dat vooral tot uiting komt bij de gemeentelijke appellaties (actueel 62 ha chardonnay op 159). Onder de premiers crus neemt wit sinds lange tijd het leeuwenaandeel voor haar rekening : 106 ha op 145.

De witte wijnen nemen vandaag 60% van het volledige Bourgondische productievolume voor hun rekening. Rekening houdende met de internationale vraag zal dit aantal wellicht nog toenemen.

Maar waar verschuilen ze zich toch?

In het artikel over de rode premiers crus uit de Côtes de Nuits (IVV nr. 80) legde ik de nadruk op de overvloed aan toegestane climats binnen deze categorie. Hetzelfde gegeven is van toepassing op de chardonnay. Samen zijn de twee kleuren goed voor zo’n 560 stuks of maar liefst bijna 12% van de volledige Bourgondische productie. Meer zelfs, net zoals bij de pinot, wordt de vermelding “premier cru” gevolgd door de naam van het climat in het kader van de gemeentelijke A.O.C.: de desbetreffende percelen beschikken niet zoals de grands crus over een eigen A.O.C.

Alle gemeentes leggen een lijst van lange of minder lange premiers crus voor, op uitzondering van Saint-Romain en Chorey-les-Beaune. De eerste is gesitueerd in het verlengde van de Hautes-Côtes en de tweede in de vlakte. De sterren binnen dit kader (reputatie en keuze aan crus) zijn ongetwijfeld Meursault, Puligny en Chassagne. Opvallend is dat elkeen zijn eigen stijl heeft. Daarna volgt Saint-Aubin dat wijnen maakt op ‘hoger’ gelegen delen met een eigen persoonlijkheid (67 ha). Op andere plaatsen zijn ze eerder zeldzaam want vaak worden ze geïsoleerd door het witte gesteente op de top van de helling.

Ladoix, Pernand en Aloxe, op uitzondering van de grand cru Corton-Charlemagne die van niemand afhankelijk is, verhogen hun aandeel aan premiers crus. Bekendste voorbeelden zijn ongetwijfeld Les Gréchons en Sous Frétille die vandaag uitsluitend voorbehouden zijn voor de chardonnay. Ook in Aloxe stijgt het aandeel om actueel zo’n royale 0,16 ha te bereiken.

Een kwestie van stijl

Verbrokkeling, de leeftijd van de wijnstokken, de keuze van de planten, de hoogteverschillen, de expositie, de bodem en … de know how van de wijnbouwer – van cruciaal belang in Bourgogne – zorgen ervoor dat de premiers crus in de Côte de Beaune een smeltkroes zijn van diversiteit, samenstellingen en structuren. Tegengestelde stijlen vinden we terug  tussen sommige met keien bezaaide gronden ter hoogte van Saint-Aubin en de zuidelijke heuvel van Gréchons in Ladoix.

Zelfs tegenstellingen binnen het hart van éénzelfde gemeente.Het sprekend voorbeeld hiervan is Meursault met zijn magische driehoek die gevormd wordt door ‘Les Charmes’ (ronde kracht), ‘Genevrières’ (rijkelijk zijdeachtig) en ‘Perrières’ (minerale finesse). Een laatste tegenstelling is deze van het imago van Epinal met zijn Bourgondische chardonnay die volgens sommigen vettig, breed en rijk voorzien is van hout  … maar in realiteit te kampen heeft met een stevige zuurgraad.

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie