Het bos tussen de tonnen niet zien (2)

De keuze van de bomen en hoe ze omgehakt worden

De eiken voor het kuipersambacht

De twee soorten eiken die weerhouden worden voor het maken van duighout zijn de zomereiken en de wintereiken. Ze werden geselecteerd uit praktische criteria voor de tonnenmakerij en dat zijn hun mechanische en fysisch-chemische eigenschappen:
– gemakkelijk te zagen door splijting onder een geringe dikte
– gemakkelijk te buigen dankzij een zekere elasticiteit om de vaten hun juiste vorm te geven, met inbegrip van een zeer goede resistentie van de duigjes en het vat
– goede thermische isolatie
– relatief poreus voor de zuurstof uit de lucht maar tegelijkertijd volledig waterdicht
– en, natuurlijk, goede organoleptische bestanddelen.
Het gaat hier dus ongetwijfeld, althans in eerste instantie, om criteria die weerhouden worden omwille van hun overeenstemming met het fabricatieproces. Maar daarbij dient eveneens de economische dimensie verstaan te worden: het zijn immers twee soorten eiken die het meest ontwikkeld worden in Europa en in alle wijnregio’s (de bakermat van de kuiperij) te vinden zijn. De andere soorten eiken zijn quasi onvindbaar, of althans onvoldoende toereikend. Maar deze criteria zijn eerder gebaseerd op waarnemingen en niet zo zozeer op een echte vergelijkingsstudie: misschien komt er een dag dat het luxevat komt overgewaaid uit Maleisië of Centraal Amerika en misschien is het wel … kubusvormig!!!
Maar tot op vandaag zijn het deze twee soorten eiken die weerhouden werden door de Europese tonnenmakers omdat ze “goed zijn” om vaten van te maken en omdat hun aroma’s zorgen voor wijnen die ons best weten te smaken. In ieder geval omdat we er goed aan gewend zijn !

Leeftijd en afmetingen

Eigenlijk lopen beiden parallel want de leeftijd beïnvloedt de afmetingen. Maar de omstandigheden van het milieu – bodem en ondergrond, klimatologie, concurrentie van de soortgenoten – kunnen inderdaad ervoor zorgen dat de bomen groter of minder groot, dikker of minder dik worden.

Het kwaliteitsbesef van de eik en de kwaliteit van de exploitatie hebben klaarblijkelijk de gemiddelde leeftijd van de omgehakte boom gevoelig verlaagd: een verlaging met de helft. De keuze van de leeftijd van de bomen is waarschijnlijk tot op heden eerder een keuze geweest die opgelegd werd door het beheer van het ouder wordende eikenbestand en niet zozeer een criterium op basis van de kwaliteit van het hout.


De zomer- en wintereiken worden zo’n 30 meter hoog, soms zelfs 40 meter. De eerste haalt een leeftijd van 300 tot 400 jaar, de tweede kan zelfs 500 jaar worden. De literatuur heeft het vaak over 180 tot 250 jaar om eiken te exploiteren. Nochtans zijn voor tal van specialisten deze literaire bronnen eerder poëtisch en niet zozeer realistisch: voor hen wordt vandaag met het omhakken begonnen na 80 tot 120 jaar. En het ziet er naar uit dat wel degelijk kwaliteitscriteria hier aan de basis liggen: immers, boven de 120 jaar, nemen de kwekers het risico dat rot in het hart van de boom gaat optreden wat sowieso de kwaliteit van de eik zal aantasten.
Bovendien vergt afdoend buighout een eik met een diameter van minimum 35 cm – een eik van 80 jaar kan, indien de exploitatieomstandigheden correct zijn, een diameter halen van 50 tot 60 cm.

De moeilijke keuze van de eik: ervaring maar ook een kwestie van flair

Naast leeftijd en afmetingen van de boom zijn er ook een aantal criteria die de professionals, exploitanten en aankopers, in ‘t hoog moeten houden om de kwaliteit van de eik te kunnen evalueren. Natuurlijk moet de boom mooi recht zijn en geen krommingen bevatten, vooral bij de eerste meters van de stam (een kromming van enkele centimeters per meter wordt evenwel getolereerd). Daarnaast moeten ook de nerven van de schors mooi recht zijn: het gebeurt immers dat de boom de neiging vertoont op te krullen tijdens zijn groei, wat betekent dat ook de vezels van het hout zullen opkrullen.
De vorstspleten, verticale scheuringen in de boom ten gevolge van koude, zullen de boom in waarde doen verminderen. Meer zelfs, idealiter mag de boom zelfs geen takken, knoesten of sporen van vorige takken vertonen omdat dit het vormen van knopen tot gevolg heeft.
Kuiperijen kunnen evenwel bomen die fouten vertonen verwerken. Het blok hout waar de fout zich manifesteert wordt eenvoudigweg geamputeerd maar de prijs van de boom zal evenwel fel in waarde gezakt zijn.
Een ander en heel belangrijk criterium, dat bovendien bijzonder moeilijk op te sporen valt, is de snelheid van de groei van de boom. Het is inderdaad zo dat, indien de boom haar groeisnelheid opdrijft, ze hoofdzakelijk verdikt door zomerhout aan te kweken. Maar dat hout is bijzonder vezelachtig en dus zeer hard, en dat in tegenstelling met lentehout, dat minder vezelachtig is, rijk is aan grote vaten, soepeler en zachter is. Bomen die een versnelde groei vertonen bezitten een sterke densiteit en zijn donkerder van kleur, terwijl de tonnenmakers eerder op zoek zijn naar lichtgekleurd hout met een goede souplesse om makkelijk te kunnen buigen. Men gaat dus vooral op zoek naar eiken die langzaam groeien.
N.B. aan te stippen: de aangroei van zomerhout bij een snelle groei valt waarschijnlijk genetisch te verklaren. De wetenschap heeft aangetoond dat in enkele gevallen sommige eiken ook een versnelde groei vertoonden niettegenstaande ze klaar en soepel hout produceerden. Dit opent dus enerzijds de poort naar klonale selectie, maar vooral naar genetische modificatie.

Eiken die snel groeien en toch de kwaliteiten bezitten van eiken die langzaam groeien: het is waarschijnlijk dat dit een genetische vraag is. Misschien zullen onze kinderen of kleinkinderen nog kennismaken met het genetisch gemanipuleerd eikenwoud van Tronçais indien de World Company enkele inspanningen levert!!!

Het omhakken

De met zorg uitgekozen boom wacht enkel nog op het omhakken. Toch dienen hier ook enkele belangrijke voorzorgsmaatregelen genomen te worden: de eik dient in ieder geval omgehakt te worden vooraleer de stroom van het plantensap op gang komt. Of anders gesteld tijdens de winterperiode, anders zal het hout splijten tijdens het drogen en bovendien bevat het duighout te veel tannines. Zuiver omhakken dringt zich op waarbij het splijten van de stam dient vermeden te worden. Bovendien is het raadzaam om de omgehakte boom die blootstaat aan houtetende insecten snel te verwijderen.

Het verdelen van de schors

Het klieven van de eik komt de verschillende doelgroepen van eikconsumenten ten goede die elk meer of minder veeleisend zijn wat betreft de kwaliteit van het basismateriaal.
In het algemeen wordt de eik als volgt verdeeld:
– Het eerste blok hout, gesitueerd aan de basis van de voet en dus onder de eerste fout, is de meest “zuivere” en de meest “propere”. Het is bestemd om doorgehakt te worden, t.t.z. het klieven in plankjes. Het is eveneens het dikste gedeelte met een diameter die boven de 45 cm reikt.
– Het tweede blok hout mag enkele knopen bevatten als ze maar klein zijn (minder dan 1 cm), het situeert zich tot op het punt dat de knopen groter worden of een andere fout vertonen, de diameter moet groter zijn dan 35 cm. Dit hout is meestal bestemd voor schrijnwerkers.
– Het derde blok hout, fijner, vertoont meer opvallende fouten en is bestemd voor timmer- en meubelwerk.
– De volgende delen zijn goed voor geraamtes, dwarsbalken, bodems voor wagons, enz…
De verschillende gedeeltes die op elkaar volgen worden gekwoteerd als klasse A voor de eerste, klasse B, klasse C, enz … voor de volgenden.
De kuiperij kan zowel het eerste als het tweede gedeelte gebruiken, t.t.z. de klasse A en B. Maar aangezien die eerste klasse zo duur is, wordt vaak overgeschakeld op klasse B (uitgezonderd natuurlijk indien de tonnenmakerij de volledige stam krijgt).
Feit is dat de tonnenmakers zich soepeler opstellen in hun keuze dan de schrijnwerkers want enerzijds moet de lengte minder lang zijn – delen van ongeveer 1 meter zijn voldoende voor de toekomstige duigjes (voor vaten van 225 l) – en anderzijds kunnen ze hout gebruiken dat vorstspleten, knopen, knoesten, en zelfs rot vertoont, indien de fouten zeer lokaal zijn en bijgevolg bij het klieven zullen geëlimineerd worden.

Het klieven van de duigjes

Het werk van de vatenmaker bestaat erin het blok hout te klieven in ‘doublons’ parallel met de draad van het hout, net als een camembert. De ‘doublons’ worden op hun beurt gespleten in kuiphout, gezuiverd van het spinthout en het harthout (t.t.z. het oudste hout dat zich het dichtst in het centrum van de stam bevindt), zodat de kanten van de toekomstige duigjes parallel zijn met de jaarring (jaarlijkse groeiring van de boom). Dat het hout gekliefd en niet gezaagd wordt is van kapitaal belang. Dit laatste gaat ten koste van de souplesse van het buigen, de waterdichtheid van het vat en de verdeling van de tannines in de wijn. (Het zagen van het kuiphout vereist het lijmen van het oppervlak maar zorgt natuurlijk voor een productie van kuiphout die drie tot vier keer hoger ligt met eenzelfde hoeveelheid hout).
Het kuiphout wordt nadien gezaagd en geschaafd om een reguliere dikte en lengte te bekomen en daarna gedroogd.


Spinthout en het harthout: de buitenste jaarringen van de boom zijn de meest recente. Ze zijn actief, ze transporteren het sap tot in de kruin. Ze zijn herkenbaar aan hun lichte kleur, vormen een schijf en situeren zich onder de schors: het is het spinthout.
Binnen in deze schijf tot in het centrum van de boom, zijn de ringen ouder, donkerder van kleur en veel harder (net zoals hout!!!!). Deze binnenste schijf transporteert geen sap en is het resultaat van natuurlijke fysisch-scheikundige wijzigingen. Deze transformatie noemt men het ‘verharden van het hout’ en die binnenste ring wordt eenvoudigweg harthout genoemd.
Enkel uit het harthout kunnen duigjes gemaakt worden.


Wordt vervolgd…

Voor meer “Oeno”, klik hier 

Geef een reactie