Het bos tussen de tonnen niet zien

Er behoren meer dan 250 soorten bomen tot de familie Querçus (eik). Maar niet alle eiken kunnen tot een ton omgevormd worden. Sommige soorten zoals de subfamilie Cyclobalanopsis komen enkel in tropische en subtropische wouden voor.

De grote familie van de eik

Deze die in Europa voorkomen, alsook in het meer gematigde klimaat van Azië, het Middellands Zeegebied, Noord en Centraal Amerika behoren tot de subgroep Euquercus.
De subgroep Euquercus zelf is onderverdeeld in zes groepen : Macrobalanus, Erytrobalanus, Protobalanus vooral in Noord-Amerika, Cerris, Mésobalanus en de meest verspreide groep Lepidobalanus. Deze komt vooral in Europa, Azië, Noord-Afrika en Noord-Amerika voor.
Frankrijk telt als centrale zone van het kuiperijambacht, acht diverse eiksoorten die er “spontaan” groeien en allemaal tot de ene of andere Euquercus-subgroep behoren.
Vijf zijn bladverliezende eiksoorten: Quercus Robur of zomereik, Quercus Petraea (sessiflora) of wintereik, Quercus Lanuginosa of donzige eik, Quercus Toza of Tozaanse eik en Quercus Cerris of moseik.
De drie andere eiksoorten behouden hun blad: Quercus Suber of kurkeik, Quercus Coccifera of kermeseik en Quercus Ilex of groene eik (azijnhout).

Verdeling van de eikbomen in Frankrijk en een gedeelte van Europa.

De kurkeik, de kermeseik en de groene eik vindt men doorgaans aan kusten, zoals rondom de Middellandse Zee. De moseik vindt men onder de 45ste breedtegraad en tot aan de Middellandse Zee ; van Italië tot op de kust van Turkije. Hetzelfde geldt voor de donzige eik die men in het Noordoosten van Frankrijk vindt tot aan de Loire. De Tozaanse eik heeft zijn heimat in Marokko en Spanje. In Frankrijk vindt men hem aan de voet van de Pyreneeën tot in Aquitanië.
Tot slot, de wintereik en de zomereik zijn de meest verspreide eiksoorten in Europa. Men vindt ze over heel Frankrijk, bijna heel West-Europa tot in Groot-Brittannië en Ierland en zelfs tot op de Scandinavische kusten. 

Welk hout in de kuip(erij) ?

Een eenvoudige vraag die erg complex kan zijn.
Indien men een momentopname van de huidige eikverwerking in de kuiperij wil maken, is de vraag eenvoudig en luidt het antwoord : zomereik en wintereik uit de Franse wouden (Quercus Alba of witte eik voor de Amerikaanse eik).
Het is een complexere vraag welke de beste eiksoort is en waarom. Daarover buigen we ons in een volgend hoofdstuk.

Het kuipersambacht verwerkt zomereik en wintereik voor de Franse eiksoorten. De witte eik of Quercus Alba wordt voor de Amerikaanse eik gebruikt. Voor de anekdote: de Zeeneik voor Noord-Afrikaanse eik.

In elke bos loopt een bosbouwkundige de wacht.

Wat de onwetende wandelaar ook moge denken terwijl hij op zondag een frisse neus ophaalt terwijl hij onder het groene gewelf van de eikstammen, die hij wild en maagdelijk acht, doorloopt. Het bos wordt gemanaged en beheerd.
Maagdelijk, wild, natuur … zijn termen die men in het bos niet meer kent, behalve dan in een ondoordringbaar woud.
Vandaag mag men zich zelfs afvragen of onze generatie nog bossen zou kennen indien er geen indrukwekkende economische bron van inkomsten aan zou vastzitten.
Vlakten van maïs, weiden en wijngaarden… tegenover deze sterk economische bedrijvigheid is alleen een sterke economie van bosbouw opgewassen om het bestaan van wouden te vrijwaren. Er was een tijd dat men hout gebruikte als brandstof of voor de scheepsbouw. Vandaag wordt het nog gebruikt voor dakconstructies, schrijnwerkerij, kartonverwerking en … voor de kuiperij.
In alle tijden danken krachtige economieën hun bestaan aan de bruikbaarheid van wouden die dan ook willens nillens moesten voortbestaan. En laten we het maar zeggen ook dankzij de steun van de wetgever die omwille van de inkomsten die dit genereert, regelgeving uitvaardigde om de neergang van de bosbouw te verhinderen.
De bosbouwer heeft in de loop der tijden voortdurend getracht om uit eigen belang het bos te beheren : productievolume, keuze van de soorten bomen, productiekwaliteit. Eigenlijk wordt hij – om het voortbestaan van zijn activiteit, de houtnijverheid en zelfs van de mensheid überhaupt te garanderen – gedwongen om het bos te vernieuwen.
Zo heeft de mens het bos gemodelleerd en geremodelleerd, verplaatst, gerooid, aangeplant en veranderd.

Het echt wilde bos dat zichzelf regenereert en zich spontaan ontplooit, bestaat praktisch niet meer. De bosbouwer is eigenlijk een landschapsbeeldhouwer.
In Frankrijk, bijvoorbeeld in de wouden van het Noorden waar spontaan beuk groeide, heeft de mens er voor gezorgd dat die verdween en vervangen werd door eik.

Het woud wordt dus beheerd door een bosbouwer. Zelfs, zoals we zullen zien, al lijkt het ons leken, dat het bos alleen maar geëxploiteerd wordt voor champignonpluk of jachtpartijen.

Bosbeheer.

Er zijn drie belangrijke wijzen van bosbeheer : het kaalkapbos, het uitkapbos en het hakbos. Voor de kuiperij interesseren ons enkel het uitkapbos en het hakbos.

Uitkapbos

Dit is de oudste methode van bosbeheer. Die komt overeen met een meervoudige exploitatie van het bos: hout voor de verwarming, voor veevoeder en voor de bouw. Zelfs al is de exploitatie voor veevoeder verminderd toch wordt het uitkapsysteem vooral in privé-bossen aangetroffen. Het uitkapsysteem komt nog vaak voor in gemeentelijke en staatsbossen, hoewel ook in die bossen geleidelijk wordt overgeschakeld naar het hakhoutsysteem.

Het uitkapbos is een ambachtelijke methode om het bos te exploiteren voor drie doeleinden : op de grond vindt het vee excellente voeding, daar boven dient het hout voor verwarming en bovendien zijn de grote bomen voorbestemd voor de bouw.

Esthetisch gezien is een uitkapbos wanordelijk : bomen zijn ongeordend aangeplant, van verschillende ouderdom en soms treft men zelfs verschillende boomsoorten. De bosbouwer herkent de eiken met toekomst al wanneer ze nog erg jong zijn. Hij zal hun groei vergemakkelijken door concurrentie te beperken. Hij zal ervoor zorgen dat ze in hun kruin alle licht ontvangen die ze nodig hebben. Gebrekkige bomen worden geveld; ze planten zich toch niet voort. Naargelang het omhakken, regenereert de plant zich dankzij de eikels of ook nog langs de eikstam zelf. Gedurende de gehele groeiperiode zal de exploitant, in functie van de ouderdom van de bomen, de kruin uitdunnen en de hygiëne verzorgen.
Dit exploitatiesysteem laat een snelle wisselbouw toe van de grote eiken en geeft ook een goede opbrengst van verwarmingshout door het uitkappen, dat beperkt blijft tot onder de kruin van de grote eiken.
Daartegenover staat wel het minder goede rendement vergeleken met het hakhout. De kwaliteit van de grote eiken ondergaat vegetatieve schokken door het veelvuldig uithakken, dat voortdurend de omstandigheden (belichting, vochtigheid…) verandert. De financiële opbrengst ligt lager dan bij het hakhoutsysteem, omwille van het kleiner volume hout dat geproduceerd wordt.

Hakhout

De hakhoutexploitatie kent verschillende vormen, maar de meest gebruikte is de regelmatige hakhoutbouw. Het idee kent zijn oorsprong in de 19de eeuw en beschouwt de hakhoutexploitatie zoals de graanexploitatie : men bereidt terrein voor, men zaait, men volgt de groei en men oogst.

De exploitatie van het bos in hakhout is voor dat bos, wat een bed wortelen of radijzen is voor de groentetuin : men zaait in rijen en vervolgens dunt men uit.

De grond wordt voorbereid zoals men dat voor een wijngaard doet. Ploegen, fijnmalen en alle wortels verwijderen. De aanplanting gebeurt met twijgen van uitgezochte stammen of met zaadjes van geselecteerde eikels. Soms ook met geselecteerde plantjes.
Men plant aan in rijen van 4 meter, op 1 meter van elkaar behalve voor de aanplant met zaadjes, waar men 5 à 10 eikels per m² hanteert. In het laatste geval worden de twijgjes of boompjes geselecteerd zodat de densiteit tot 2500 planten/ha teruggebracht wordt.
Gedurende de hele groei en vanaf het 15de jaar worden de jonge eiken om de vijf à tien jaar uitgedund (als de toppen elkaar raken) met als doel het definitieve aantal van honderd eiken per ha te verkrijgen. Deze bomen zijn ongeveer twintig meter groot en hebben een gemiddelde leeftijd van zestig jaar.
De bomen blijven groeien en worden na 80 of zelfs 180 jaar geveld, naargelang de regio (determinerend voor het metabolisme van de bomen) en de finale bestemming van het hout.
Dit exploitatiesysteem kent een vrij trage wisselbouw : als een generatie de aanplant doet, zal slechts de derde of zelfs de zesde generatie de vruchten ervan kunnen plukken.
Maar er zijn ook voordelen: gemakkelijk werken, geen concurrentie van andere boomsoorten, homogeniteit van de aanplantingen en de ouderdom van de bomen. De regelmatige groei laat toe dat de bomen traag groeien, zonder horten of stoten.
De stammen zijn dan ook bijzonder rechtlijnig en erg homogeen, met weinig knoppen of oneffenheden vanwege rot of parasieten.
Tot slot. Het rendement is zeer goed en men kan 400 à 600 m³ hout per ha halen en tegelijk – omwille van de hogere kwaliteit van het hout – een hogere prijs per m³ bekomen in vergelijking met uitkaphout

Het hakhoutsysteem vraagt, tussen de aanplanting en het vellen van de eiken, een wachttijd van 3 à 6 generaties van bosbouwers. Daar staat dan wel tegenover dat de generatie die de “vruchten oogst” vier maal meer opbrengst mag verwachten dan via het uitkapsysteem evenals een veel hoger inkomen per m3 hout.

Te volgen…

Voor meer “Oeno”, klik hier 

Geef een reactie