Het Pauillac van de bronstijd, van de oesters en de boten.

Het land van de brons

Lang voor het succes van zijn wijnen was Pauillac bekend om zijn metallurgie en dan vooral voor brons. Tussen 1500 en 1200 v.C. is Pauillac één van de belangrijkste centra voor bronsproductie langs de Atlantische kust. Tezelfdertijd was het ook een belangrijke haven voor internationale ruilhandel zowel voor bevoorrading in basisproducten, koper en tin, als voor de distributie van het brons.

De benaming “Pauillac-oester”

De naam Pauillac werd ontleend aan een Gallo-Romeinse bewoner en domeineigenaar Paul (Pauliacus). Terwijl de wijngaard zich tijdens de eerste eeuwen n.C. zowat overal in de Gironde verspreidt, is er geen enkel Romeins relaas van wijngaarden in de Medoc terug te vinden. Toch waren de Romeinen er diep doorgedrongen. De drukke briefwisseling tussen Ausone en zijn vrienden, in de 4de eeuw n.C., geeft een precies beeld van waar en hoe er in de Bordelais druiven verbouwd werden. Ook daar is van wijnbouw in Pagus Medullorum geen sprake.
In die tijd waren er wel Gallo-Romeinse stammen gevestigd rondom Pauillac, Cissac, Saint-Estèphe. Zelfs in de regio van Saint-Germain d’Esteuil tot Soulac. Er is veeteelt, bijenteelt, bosbouw en … oesterteelt. De oesters werden als de beste ingeschat. Toen ook werd er al gebruik gemaakt van de getijden om die te kweken (cft René Pijassou: Le Médoc, Taillendier 1980). Het blijft evenwel merkwaardig dat er gedurende de Gallo-Romeinse periode in dit deel van de Medoc geen wijn verbouwd werd.


Er werden veel villa’s opgericht en wijnbouw was toch een onvermijdelijk onderdeel in de organisatie van een villastructuur. Niets wijst erop dat er in de Romeinse periode wijngaarden waren aangelegd. Wijnbouw verschijnt pas in de Middeleeuwen en wordt aangemoedigd door de kerkelijke nood aan wijn. Een van de eerste tekenen van reële wijnbouw is, volgens historici, deze van Château La Tour (14de). De naam is ontleend aan “La Tour Saint-Lambert”, verwant met Saint-Lambert, een gehucht ten zuiden van Pauillac. Beide namen ontstaan door dezelfde woordvervorming van La Tour Saint-Maubert, soms ook Saint-Mambert geschreven. Volgens de abt P. Brun (“Les Eglises de la Gironde, 1957) zou het dan weer om de parochie Saint-Mamert gaan, genoemd naar de bisschop van Vienne in de 5de eeuw.

Pauillac, havenstad

Pauillac was altijd al een haven: zowel een commerciële, als een militaire en ook een tussenhaven. Vanaf het Bronzen Tijdperk tot de bouw van de Petroleumraffinaderij in de 20ste eeuw (nu stilgelegd) was de haven van Pauillac zeer actief, vooral in de scheepsbouw. Na W.O. I werd de haven met drijvende dokken uitgerust en werd het een tussenhaven om de voorbijvarende cargo’s te kunnen herstellen. Voordien, in 1822, werd er op enkele meters van de stad het Lazaret ingericht waar de van besmette ziekten verdachte schepen die Bordeaux aandeden, eerst in quarantaine moesten. Pauillac vervulde al lang daarvoor die rol want vóór het Lazaret bestond, werden de schepen verplicht om het eiland Pâtiras aan te doen dat net voor Pauillac ligt. Quarantaine kende men reeds lang omdat vanaf 1320 de melaatsen van Bordeaux op de eilanden en vooral op Pâtiras afgezonderd werden. “Daar woonden ze samen en leefden ze van de giften van medelevende burgers. Dat duurde tot de afschuw en walging het haalde van de compassie. De kreupelen stierven van honger en miserie…” (Charles Cocks in Bordeaux et ses vins, Feret 1850).
Nog steeds volgens Charles Cocks: “daarna volgen de Joden die de stad ontvluchten, de lepra trotseerden om zich te kunnen verstoppen op de eilanden om zo aan een juridische dood te kunnen ontsnappen. Toen men ze valselijk beschuldigde dat ze de bronnen en fonteinen vergiftigd hadden, werden zij met de goedkeuring van de melaatsen naar het eiland verbannen”. Met deze tekst lijkt het erop dat de Shoah méér dan een hedendaags fenomeen reeds langer een kanker van de mensheid is.

Pauillac in cijfers

Een AOC uitsluitend voor rode wijnen. Het productiegebied omvat niet alleen de wijngronden in de gemeente Pauillac (95%), maar deint ook uit op Cissac, Saint-Estèphe, Saint-Sauveur en Saint-Julien.
Het appellatiedecreet (1936) verbant alle “percelen die op recente alluviale gronden liggen en op met zand bedekte ondoordringbare bodems”. Uitsluitend cabernet sauvignon, cabernet franc, merlot noir, petit verdot, malbec en carménère worden toegelaten. Ten minste 178 g suiker/liter in de most en ten minste 10,5% potentiële alc. vol. vóór het aanzoeten. De opbrengst is max. beperkt tot 45 hl/ha (vóór de PLC).
De totale oppervlakte bedraagt in totaal 1200 ha en wordt over 114 eigendommen verdeeld. Hiervan brengen 75 hun druiven naar de coöperatieve. Van de 39 resterende zijn 18 Crus Classés met in totaal 850 ha, dus 70% van de Pauillac-wijngaard. De gemiddelde grootte van een cru classé telt bijna 50 ha! Dit gemiddelde is groter dan dat van Margaux (40 ha), maar lager dan dat van de Saint-Julien crus classés (57 ha). Alle crus van Pauillac produceren gemiddeld 8,6 miljoen flessen, verdeeld over de 76 château-merken.
18 Crus Classés (81% van de productie) waaronder 3 “Premiers” (230 ha), 2 “seconds” (90 ha), 1 “quatrième” (45 ha) en 12 “cinquièmes” (480 ha).
18 Crus Bourgeois (12% van de productie) teruggebracht op 7, na het nieuwe klassement in 2003.
1 Cru Artisan en andere (2% van de productie) en 1 coöperatieve (5% van de productie).

1855: de strijd der grootheden.

Vóór 1855 bestaat er reeds een officieus klassement van de Medocwijnen. Sommigen, aan wie een podiumplaats beloofd was, beginnen ongeduldig te worden. Twee van hen treden in actie: La Fite (Lafite Rothschild) en Brane-Mouton (Mouton Rothschild)

De context van het klassement.

Het departementaal organisatiecomité van de Wereldtentoonstelling nodigt de Kamer van Koophandel uit voor een presentatie van de Gironde-wijnen. De Kamervoorzitter, L. Duffour-Dubergier, vreest voor twee gevolgen: enerzijds “dat kasteeleigenaars zullen trachten om van de expositie gebruik te maken om een strijd uit te lokken die de bestaande classificatie, gebaseerd op ondervinding (die van de wijnmakelaars), onderuit haalt (…)”. Anderzijds dat er een nieuw klassement uit de presentatie voortvloeit: “door een jury die de gehele wereld vertegenwoordigt”, daarbij stelt hij dat het wijnproeven een moeilijke kunst is en dat enkel de Bordelese professionals de kwaliteit van de wijnen uit hun regio kunnen beoordelen.
Tentoonstelling? Ja! Wedstrijd? Neen! Daarop stelt hij voor dat de presentatie er als volgt zou uitzien: enerzijds de gemeentelijke wijn zonder vermelding van eigenaar en enkel met de naam van de gemeente, anderzijds de lijst van de geklasseerde crus die door de wijnmakelaars opgesteld wordt.
De Kamer van Koophandel mandateert daarop de wijnmakelaars om een “zeer juiste en zeer volledige lijst van de rode geklasseerde crus van het departement op te stellen en daarbij elke cru in één van de vijf klassen te klasseren”.
De wijnmakelaarsvereniging gehoorzaamt maar weigert de verantwoordelijkheid voor de interpretaties (“U weet (…) hoe prikkelbaar dit klassement (…) is en welke gevoelige snaren er kunnen geraakt worden”). De makelaars stellen de vijf klassen op – als basis nemen ze de notities en quotaties van meer dan een eeuw – en dat volgens de gangbare prijzen:

– 1ste GCC: 3000 francs
– 2de GCC: 2500 tot 2900 francs
– 3de GCC: 2100 tot 2400 francs
– 4de GCC: 1800 tot 2100 francs
– 5de GCC: 1400 tot 1600 francs.

Een klassement dat in een halve eeuw zijn vorm krijgt

Het is wel degelijk de prijs die het klassement van 1855 bepaald heeft voor elke cru. Toch is de prijs als criterium geen uitzonderlijke keuze. Uiteindelijk is dat toch wat de geschiedenis van de Bordeauxwijnen gedurende een halve eeuw genoteerd had in de literatuur van die tijd. Het begon al met de aantekeningen van de Amerikaanse president Jefferson, die in 1787 Bordeaux bezocht. Er zijn ook de schrijfsels van Jullien, Franck, Cocks e.a.
Zelfs als enkelen proefnotities maakten in het algemeen, beperkten die zich meestal tot de “premiers crus classés” en soms ook enkele “seconds crus”. Ze verwezen naar de quotaties van de wijnmakelaars. Lawton, een belangrijk Bordelees personage én makelaar, moet hier vermeld worden. Hij had zijn persoonlijk klassement en dat was gezaghebbend. Het werd trouwens grotendeels tot aan het officiële klassement van 1855 door de meesten gevolgd. Overigens verschilt het niet veel van dat 1855-klassement. De prijs als criterium staat bovendien in verhouding tot de kwaliteit. Het blijft evenwel een stroef criterium tegenover de hiërarchie: Kwalitatieve variaties (zowel omhoog als omlaag) zijn moeilijk weer te geven.

Brane-Mouton

Brane-Mouton behoorde volgens Jefferson (1787) tot de 3de klas van de Medocwijnen.
Daarna, ook voor Lawton (1815), behoort hij bij de tweede geklasseerden. Meerdere auteurs vermeldden Brane-Mouton daarna nog steeds in tweede klasse en enkele jaren vóór het classement wordt Brane-Mouton vaak als beste van de “seconds” gezien. Sommige auteurs zien La Fite en Brane-Mouton op gelijke hoogte.
In deze omstandigheden plannen de eigenaars van Brane-Mouton, die een meer ondernemend (tegenover de vorige) regisseur aangeworven hebben, in 1852 een coup op de “place de Bordeaux” om het kasteel in de “première classe” te hijsen.
De jaargang 1851 was uitstekend en Brane-Mouton was bijzonder goed geslaagd. De zaakvoerders wachten tot de tweede geklasseerden hun prijs gezet hebben in de primeurperiode van maart 1852. Daarna brengen ze, in een eerste tranche, de helft van de oogst 25% à 50 % duurder uit dan de andere “seconds”. De wijnhandel trapt erin.
Met enige aarzeling en erg goed oplettend voor de gevoeligheden van de wijnhandel, brengt Brane-Mouton de andere helft in een tweede en derde tranche toch tegen de prijzen van de “premiers”. In 1853 wordt Brane-Mouton verkocht aan baron Nathaniel de Rothschild die, op zijn beurt, de druk op de ketel houdt en ook dezelfde prijs van de “premiers” voor Mouton krijgt. Maar toch blijft deze koerswijziging van Brane-Mouton niet voldoende gekend. De verandering van eigenaars was mogelijk wat verontrustend voor het vervolg. Het klassement van 1855 houdt dus geen rekening met de laatste resultaten en laat Mouton in de tweede klasse. De leuze “Premier ne puis, second ne daigne, Mouton suis” troont tot in 1973 fraai op het etiket en verwijst onmiskenbaar naar deze periode.

De Crus Classés van Pauillac

  • “Premier”: Lafite Rothschild, Latour, Mouton-Rothschild
    “Second”: Pichon Longueville Baron de Pichon, Pichon Longueville Comtesse de Lalande
  • “Quatrième”: Duhart-Milon Rothschild
  • “Cinquième”: D’Armailhac, Batailley, Clerc Milon, Croizet Bages, Grand Puy Ducasse, Grand Puy Lacoste, Haut Bages Libéral, Haut Batailley, Lynch Bages, Lynch Moussas, Pedesclaux, Pontet Canet.
  • “Crus Bourgeois Supérieur”: Colombier Monpelou, Fonbadet, Haut Bages Monpelou, Pibran
  • “Crus Bourgeois”: Plantey, La fleur Peyrabon, La Fleur Milon

De zaak La Fite

Terwijl Brane-Mouton de koersrevaluatie van zijn wijn met veel diplomatie op de “place” goed gemanaged heeft, probeert ook La Fite een coup, maar dan door de makelaars te dwarsbomen.
We zijn in 1855 en de voorbereidingen voor de tentoonstelling zijn in een eindfase. Emile Goudal is regisseur op Lafite. Hij oordeelt dat Lafite de beste van de “premiers” is en wenst dat zijn wijnen op de tentoonstelling onderscheiden worden. Alleen heeft, in tegenstelling tot andere wijnregio’s, het departementaal organisatiecomité het wijngebeuren aan de Kamer van Koophandel doorgegeven. Deze heeft de intentie alle geklasseerde crus zonder de naam van de eigenaar te vermelden. Dat zou commercieel oninteressant zijn, denkt Goudal en doet een beroep op Prins Napoleon om hem te steunen. Hij wint dit eerste gevecht omdat de Prins Napoleon niet alleen Goudat bevestigt maar tegelijk de Kamer van Koophandel eraan herinnert dat de namen van de eigenaars op het etiket moeten staan. Daarenboven mogen de eigenaars, indien zij dat wensen, hun wijnen individueel voorstellen; ook op de voorstelling die de Kamer van Koophandel organiseert. Tijdens de tentoonstelling, naast de officiële erkenning van het klassement, heeft ook de wijnwedstrijd plaats. Goudal is er niet gerust in. Naar zijn zeggen, was het terecht dat hij iemand mandateerde om er over te waken dat de wijnen wel degelijk zouden geproefd worden. Hij vreesde ervoor dat de Kamer van Koophandel alles in het werk zou stellen opdat zijn wijnen zouden vergeten worden tijdens de proeverij.
Daarop volgt een strijd van beïnvloeding: de Kamer van Koophandel tracht de autoriteiten te overtuigen om slechts één medaille toe te kennen aan het geheel van de “crus classés” zodat alle “premiers” gelijk zouden zijn: Het Bordelese klassement is belangrijker dan de hiërarchie. Goudal dringt er uiteraard op aan dat hem de medaille die Lafite verdiend heeft, zou overhandigd worden om zodoende met de suprematie van zijn cru te kunnen pronken.
Uiteindelijk deelt, na al dat kinderachtig gedoe, het comité van de tentoonstelling aan iedereen een snoepje uit: een eervolle vermelding voor de Kamer van Koophandel en zijn “bijzondere Bordelese wijncollectie”, een eerste prijs-medaille voor Lafite, maar ook voor Margaux, Latour en Haut-Brion. Dus geen jaloezie.

Een eeuw later, Mouton legt alles opnieuw op tafel.

In de jaren vijftig organiseert eerst het syndicat des Graves en daarna Saint-Emilion samen met de INAO een klassering van hun respectievelijke wijnen. Het klassement van de Graves wordt in 1953 gecreëerd (en in 1958 gehomologeerd), terwijl dat van St-Emilion een jaar later erkend (ook in 1958 gehomologeerd) wordt. Dat laatste klassement is de lont aan het kruitvat. Inderdaad, het erkent twee categorieën, waarvan de meest prestigieuze “Premier Grand Cru Classé” genoemd wordt. De Medocanen schuimbekken van woede. Deze categorie weerhield twaalf crus en zelfs indien die nog eens onderverdeeld werd in A en B, leek het hen dat er snel verwarring tussen de twee klassementen zou ontstaan. Het zat Baron Philippe de Rothschild zeer hoog. Hij vreesde dat de twaalf hiërarchisch de meerdere zouden zijn van de Medocaanse “seconds”, waarvan zijn cru deel uitmaakte. Tijd dat hij het werk van zijn grootvader, Nathaniel, afwerkt door van Mouton een “Premier” te maken. Omringd door een aantal solidaire eigenaars, stelt hij de Union des Grands Crus Classés de la Gironde voor om het klassement van 1855 te herzien. Het antwoord laat op zich wachten. In een tweede poging maakt de ploeg van de baron de zaak aanhangig bij het Syndicat des Crus Classés du Médoc en vraagt het aan de I.N.A.O. in 1959 om het klassement te updaten.
De INAO moet dit verkeerd geïnterpreteerd hebben. De INAO ging er waarschijnlijk van uit dat men een “herziening” vroeg. Na nauwkeurig haar werk gedaan te hebben, stelde de commissie van deskundigen in 1961 voor om 13 Crus Bourgeois te klasseren en 14 Crus Classés eruit te bonjouren.
Het “Syndicat des Crus Classés” en de Baron Philippe verzetten zich met klem tegen deze schandelijke herziening! Mouton kreeg zijn gegeerde promotie niet, maar dat was maar uitgesteld spel: de politiek heeft zo haar prioriteiten.
Drie jaar later. De Baron Philippe de Rothschild verhoogt opnieuw de druk. Hij bereidt samen met de wijnautoriteiten en de bevoegde instanties een publieke wedstrijd voor. Hij moet echter tot in 1970 wachten voor die geopend wordt. Mouton is uiteraard present en we noteren ook de aanwezigheid van Pétrus. Niettemin wordt de wedstrijd afgelast omwille van onverenigbaarheden in het reglement. Na twee disputen is iedereen het erover eens dat de wedstrijd heropend mag worden en in meerdere stappen dient afgewerkt te worden. De eerste stap heeft betrekking op de categorie van de “Premier Grand Cru Classés”. Nadat de “Premiers Crus Classés” de garantie kregen dat ze hun rang mochten bewaren, stelt Mouton zich voor. Mouton promoveert! De wedstrijd wordt plotseling gesloten, het nieuwe klassement toch gehomologeerd en het gehele dossier B – E – G – R – A – V – E – N. “Premier je suis, second je fus, Mouton ne change.” Eerste ben ik, tweede was ik, Mouton blijf ik. Jawel, Baron Philippe de Rothschild zaliger was een uitstekend schaker.

(Bronnen: Charles Cocks: Bordeaux et ses vins, Feret 1850 – André Jullien: Topographie de tous les vignobles connus, 1816 et 1866 Slatkine – Marcel Lachivier: Vin Vignes et Vignerons, Fayard 1997 – Joseph Lacoste: La route du vin en Gironde, Delmas 1948 – René Pijassou: Le Médoc, Tallandier 1980)

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie