Le Mesnil-sur-Oger : het witte huis van de Champagne.

08/02/2021- Voor de vierde etappe in onze ronde van de Champagne-crus, maakt IVV opnieuw een ommetje via de Côte de Blancs. GPS aanzetten, “Le Mesnil” invoeren en weg zijn wij, kaap op dit mekka van de chardonnay, geëerd voor zijn mineraliteit en bewaarmogelijkheden.

Le Mesnil-sur-Oger is de meest zuidelijke van de 17, voor 100% geklasseerde gemeenten en ligt tussen Oger (100%) en Vertus (95%). Deze cru is één van de meest gevestigde waarden bij de champagnekenners, want hij wordt op alle niveaus ingezet. Terwijl de enen hun lippen met een coupke Clos du Mesnil, Salon of een andere Cuvée de Prestige bevochtigen (de technische fiche zal niet nalaten te vermelden dat de wijn met chardonnay van hier gemaakt werd), geven de anderen hun vertrouwen aan de “récoltants-manipulants” die zuivere of geassembleerde Mesnils aanbieden. En dan zijn er ook nog twee coöperaties die wijnen aanbieden. Zo is er voldoende voor iedereen en voor ieders beurs.

Deze champagne, zoals ook een Bouzy of een Verzenay, is zo intens karaktervol en laat zulke indrukwekkende “sporen” na, doordrongen als hij is van zijn terroir, dat niet-ingewijden deze wijnen niet ten volle waarderen.

Van oorsprong tot heden.

Vanaf de 9de eeuw betekende “Mesnil”, afgeleid van het laat Latijnse woord “mansionile”, in het middeleeuwse Noord-Frans “eenzaam huisje“. Het huisje werd dorp, het dorp werd stad en breidde zich uit tot de hedendaagse agglomeratie. Het situeert zich ten noorden van de cru, vormt een grens met Oger – cfr. plaatsnaam – en deinde recentelijk uit naar de vlakte. Bepaalde straatnamen van het historische gedeelte doen aan de vroegere omwallingen en hun poorten denken. Afgezien daarvan, niets spectaculair: een stadje met 1200 inwoners waarvan een groot gedeelte door, voor en van de wijnbouw leeft en de belangstelling geniet van de handelaars uit Reims en Epernay voor zijn 100% cru.

Het archief van het wijndorp Le Mesnil biedt voor de periode tot aan de 18de eeuw maar weinig informatie. Het toont evenwel aan dat de wijnboeren druk in de weer waren in de wijngaarden, die meestal eigendom van de geestelijkheid – of wat dacht U – en adel waren. Een handvest van 1497 vermeldt het bestaan van een gemeentelijke pers die onder de markthal (het huidige stadhuis) ondergebracht was. In de 17de eeuw werden de opbrengsten naargelang de oppervlakte door de fiscus bepaald. “Statistieken” van deze periode leren ons dat in de 18de eeuw de rendementen onregelmatig evolueerden in functie van de jaarcondities en dat de Baljuw van Mesnil ook al ten strijde trok tegen het te vroeg oogsten om zodoende de kwaliteit te vrijwaren. (wel, wel, wel).

In de 19de eeuw werd het kadastraal plan opgesteld. De verantwoordelijken hielden geen rekening met de eisen van de buurgemeente Villeneuve-lès-Rouffy en kende aan Mesnil de wijngaard toe zoals die er vandaag, op twee percelen na nog bijligt.

In 1892 doemt, meer precies in het perceel Bas-Varnaults, de Phylloxera op. Twee jaar later laat men het koolstofdisulfide voor wat het is en geeft men Georges Vimont, meester wijnbouwer en ingenieur, zijn grote gelijk: enten op Amerikaanse onderstokken.

Bij het aanbreken van het derde millennium is het de “court-noué” die veel last berokkent aan de wijnbouwers. Haar progressie is te wijten aan twee virussen die door nematoden (minuscule rondwormen) verspreid worden. Men tracht de stokken die gerooied moeten worden te “ontzenuwen” met een systemisch bestrijdingsmiddel om zodoende de verspreiding van de ziekte te vermijden. Een rustperiode van ten minste 7 jaar zou wenselijk zijn maar niet verenigbaar met de economische noden van een kleine R.M.

Alhoewel de compacte en zeer dichte bodem er niet onmiddellijk de oorzaak van is, oefent dit een gunstige invloed uit op het fenomeen. De wijnboeren, die er al van nature uit erg mee begaan zijn, worden aangespoord om de gronden sterk te beluchten. Maar in de Champagne is dat een ander paar mouwen; het is een geschiedenis die slechts een handvol mensen aangaat.

Terug naar de druif

De wijngaard is 428 ha groot en is sinds 40 jaar volledig beplant; er is dus geen ruimte meer om uit te breiden. Hij loopt van het westen, vanaf de bosrand, netjes de naar het oosten gerichte hellingen af en ziet zijn dolle uitbreiding – wellicht aangewakkerd door de dringende vraag – nog net gestopt door de vlakte met haar voor wijnbouw onbruikbare bodems. Het landschap is er weinig golvend en ontstond tijdens het Tertiair door de grote bodemverzakking die het Bekken van Parijs gevormd heeft en zich situeert in de Boven-Krijtperiode (tijdvak). Het territorium wordt ingesneden door drie valleien, die van oost naar west lopen. Een laagje van 50 à 80 cm bebouwbare grond bedekt het witte goud van de Champagne: het waardevolle krijt dat aan de voet van de helling minder diep is. Het wordt bij heraanplantingen steevast met “gele” grond bedekt om de ijzer-chlorose (bleekzucht, te kort aan ijzer) tegen te gaan. De onderstokken zijn meestal de 41 B (95%), SO4 (in de hoogstgelegen en dus ook de diepste lagen) en ook Fercal. De densiteit van de aanplant haalt gemiddeld 6.800 stokken per ha: 1,10 m tussen de rijen en 1,20 m tussen de stammen, die men “en Chablis” snoeit (4 twijgen met ten hoogste 5 knopjes) of in “cordon” (daar waar men vreest voor vorst).

Le Mesnil geniet dus van een 100% klassering. Die werd pas na een lange periode (eerste klassement in 1911) in 1985 bepaald. Maar de proeverijen van basiswijnen toont zeer uiteenlopende kwaliteiten, wat er ons toe aanzet het percentage als een gemiddelde op te vatten; een gemiddelde van de iets “zwakkere” sectoren en het eigenlijke hart van de appellatie in het ZO van de zone. De wijnhandel is trouwens zeer present als eigenaar (in totaal 60 ha) in die tweede sector : Moët, Clicquot, Roederer, Taittinger, Krug …  

 

De heren van de chardonnay

In Mesnil verkopen ongeveer 60 bedrijfjes hun flessen onder het vaandel van RM (récoltant-manipulant) of RC (récoltant-coopérateur). Er zijn twee coöperaties actief, maar enkel de U.P.R., Union des Propriétaires Récoltants, commercialiseert zelf een gedeelte van haar productie. De andere, de U.P.C.B., bevoorraadt het prestigieuze merk Salon, dat zoals Delamotte, haar buur, eigendom is van Laurent-Perrier.

Alle wijnproducenten verbouwen traditioneel zoals men dat in de champagne sinds jaren kent, waarbij de seksuele verwarring* geen gratie vond in hun ogen. Het is een biotechnologische techniek die de seksuele voortplanting van ongedierte (* de mannetjes worden in de war gebracht zodat ze de vrouwtjes niet herkennen) tegenhoudt. Kwantumanalyses van het organische materiaal tonen aan dat slechts een “regelmatige onderhoud” nodig blijkt, gezien de massieve bemesting in het verleden.

De komst van Anselme Selosse in Mesnil is goed nieuws voor de wijnstok, die een levend wezen is en niet enkel een ondersteuning voor druiven zoals meestal het geval is. Hij heeft hier twee percelen gekocht: eentje met oostelijke oriëntatie en eentje met zuidelijke helling dat middenin het plaatsje “Les Carelles” ligt. Die wil hij assembleren. Het gaat dus om een avontuur in percelen niet om te concurreren maar om complementair te zijn. Hij kan er wellicht mee aantonen dat er naast de Clos du Mesnil nog andere “lieux-dits” (specifieke wijngaarden) zelfstandig kunnen bestaan in de Champagne. Hij kan er wellicht mee aantonen dat er naast de Clos du Mesnil nog andere “lieux-dits” (specifieke wijngaarden) zelfstandig kunnen bestaan in de Champagne.

De Clos du Mesnil.

Midden in de agglomeratie, volledig ommuurd, ligt de Clos de Mesnil die zich als eenling opstelt in een wijngaard waar normaal originevermenging troef is. Niet alleen is hij de ambassadeur van één enkele cru, maar hij is ook de bezieler van één enkele wijnstok: de chardonnay. Als het jaar meezit, veredelt deze druif de drie essentiële kwaliteiten: kracht, elegantie en complexiteit. Eric Lebel, de keldermeester van Krug, benadrukt “zijn intensiteit, honing- en kruidenelement en spectaculaire schittering in finale”.

Eén enkel perceel, één enkele cru, één enkele wijnstok, één enkele jaargang: het is de champagnewereld op zijn kop. Tijdens de proeverij heb ik getracht overeenkomsten met andere gekende belletjeswijnen te vinden, zonder succes echter. Dit betekent dat de Clos du Mesnil uniek moet zijn in zijn genre.

Terwijl het oudste spoor van de bouw van de muur – een inscriptie in de steen – dateert van 1698 is de vereniging van de Clos het werk van de twee zonen van François Rolland. Zij kochten op het einde van de 18de eeuw, in het kader in het algemene verkoop van nationale bezittingen, het perceel dat toen eigendom was van het Kapittel van Saint-Etienne de Châlons en voegde er het erfdeel van hun vader aan toe. In 1860 viel het, na een reeks donaties en opvolgingen, in de schoot van Amedée Tarin, wijnhandelaar en publiek personage. Zijn opvolgers beslisten over het reilen en zeilen van de “Clos Tarin” zoals hij soms nog genoemd wordt tot Krug het in 1971 verwierf (ook het begin van de heraanplantingen).

Deze stedelijke wijngaard, met een lichte helling naar het oosten, heeft een oppervlakte van 1,85 ha (net zo groot als Romanée Conti) en rendeert slechts optimaal als het jaar echt goed meezit. Een van de algemene kenmerken van Krug is het vergisten van de most (alleen de “cuvées”) in houten tonnen van ten minste twee jaar oud met een inhoud van 205 l. De wijn wordt daarna overgestoken naar roestvrij stalen tanks waar hij zijn malolaktische gisting afwacht. Die begint dikwijls wat later omwille van de doorgaans lage pH. Na een filtering met kiezelgoer wordt de wijn gebotteld en laat men hem zeer lang rusten (meer dan 10 jaar). De alchemie van de belletjesvorming tijdens de tweede gisting verandert deze reeds uitzonderlijke basiswijn – nu al bijna vloeibaar goud – in een sublieme champagne, die duidelijk het niveau van de emotie, bij het proeven van meer “klassieke” belletjeswijnen, de hoogte in stuwt. Dosage ? Die valt nauwelijks op, wat bewijst dat 8 à 9 g/l likeur de volheid van de materie ten volle ondersteunen.

 

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie