Saint-Emilion in vervlogen tijden.

Emilion of Emiliaan, Immilionus, Mélionus, Aemilius of ook nog Aemilianus zou in het begin van de 8ste eeuw in Bretagne, te Morbillan, geboren zijn. In zijn beginperiode als intendant van de Graaf van Vannes werd hij ervan beschuldigd teveel aalmoezen aan de armen te geven; God zou hem dan ter hulp gekomen zijn door brood dat hij onder zijn mantel verbergde in hout te veranderen.

Dit kleine mirakel maakte onze Emilion beroemd en om aan die verering te ontsnappen, vluchtte hij naar het zuiden. Later vinden we hem terug in Saintogne, te Salignac in het klooster van de cenobieten (asceten). In dit klooster, waar hij de taak had om het dagelijkse brood te maken, voltrok zich een tweede mirakel. Toen zijn gereedschap door enkele flauwe grappenmakers verborgen was, zou hij zelf in de oven gekropen zijn om er de broden in te rangschikken en hij zou er vervolgens ongedeerd uitgekomen zijn. Op zoek naar afzondering verliet hij Saintogne om nog zuidelijker te trekken. Hij installeerde zich in het grote woud van “Cumbis” (van “combes”: hol of grot). Her hart van wat later de stad Saint-Emilion zal zijn.

Zijn grot omgebouwd tot huiskapel en zijn reputatie van heilige trokken heel wat discipelen aan, die zich in zijn omgeving vestigden. Emilion stierf in 767 en liet zijn naam na aan zijn stek : de grot van Saint-Emilion. Hij werd evenwel niet gecanoniseerd, maar de aanbidding door zijn discipelen maakten van hem een heilige.
Als eerbewijs voor de heremiet heeft de bevolking, in verschillende stappen, net boven zijn grot, een basiliek in de rots uitgegraven: de huidige monolithische kerk. Men vermoedt dat men er eerst de stenen uit ophaalde die voor de bouw van het klooster dienden.

Legende, of veeleer mythe, want slechts een deel, buiten de mirakels, zal waar zijn. Het blijft betekenisvol dat deze plek langtijd Saint-Emilion genoemd werd; wat evenwel niet verklaart waarom deze naam bewaard bleef. De parochie zou, zoals vele anderen in de buurt, herdoopt of gewoonweg verdwenen kunnen zijn.
Er bestonden meerdere parochies in de buurt, maar die van Saint-Emilion wordt in de 11de eeuw onder de voogdij van de bisschop van Bordeaux en de heer van Castillon geplaatst. Bevlieging? Militair strategisch interessant? Saint-Emilion wordt dan een versterkte stad en kerkelijke Heerlijkheid : “de rechtsbevoegdheid van Saint-Emilion”. Maar dat is een ander verhaal. Het is evenwel van deze periode af dat de gemeente definitief de naam van de Bretoense monnik toegewezen krijgt.

Lucaniacus of de villa van Ausonius.

Wat weten we eigenlijk over de druiventeelt te Saint-Emilion in de eerste eeuwen van onze jaartelling? Quasi niets. Zelfs in verband met de eigendom van Ausonius in de 4de eeuw is het gissen. Geloofwaardig overigens, maar het blijft raden. Het is mogelijk dat hij meerdere villa’s bezat in de Bordeauxstreek, waarvan één op de grindgronden van Bordeaux (niet ver van de kerk van Saint-Seurin) en één op de oever van de Garonne, tussen Langon en La Réole. Van de Libournese villa weten we dat ze tegen het gehucht “Condate”* gesitueerd. “Lucaniacus” (de naam van de villa) lag op een hoogte vanwaar men zicht had op de rivier. Het Z-W georiënteerde reliëf van Saint-Emilion en de omgeving van Château Ausone bevestigen dat. Gedurende eeuwen en naarmate de ontdekking van de verschillende Gallo-Romeinse sites hebben historici de villa verschillende malen van plaats veranderd : aan de voet van de helling en dan weer op het plateau en zelfs aan de andere zijde op Saint-Georges de Montagne. Niettemin heeft de recentste ontdekking (1969) van een villa met 14 vertrekken (met mozaïek), net boven het château La Gaffelière, de villa “Lucaniacus” op de zuidelijke zijde van Saint-Emilion gesitueerd. Niettemin kwam tijdens geen enkele opgraving de naam van Lucaniacus voor. Wat er ook van zij, we weerhouden de hypothese dat Ausonius zich ergens tussen de top en de voet van het plateau opgehouden heeft. Zijn briefwisseling met Aulus Plautius leert ons misschien wel iets meer over wat eenmaal het Ausonius-domein moet geweest zijn.

Ausonius beschrijft hem inderdaad zeer precies de grootte en de aard van de verschillende culturen van zijn Bordelaise landgoed. Hij erfde het goed van zijn vader: 50 ha bebouwbare gronden, 25 ha wijngaard, 12,5 ha weiland en 175 ha bos. In totaal rondom de 160 ha. Wat hijzelf als bescheiden kwalificeert: “een klein erfdeel van geringe grootte”.

Zijn domein Lucaniacus verkrijgt hij door zijn huwelijk met Attusia Lucane Sabine, dochter van een rijke grondbezitter. Het moet erg luxueus geweest zijn en Ausonius houdt er vele recepties. Men kan er uit afleiden dat de oppervlakte groter was dan zijn eigen 260 ha grote Bordelaise domein.

Henri Enjalbert veronderstelt dat het de 500 ha zou benaderd hebben; wat de gemiddelde grootte van een Gallo-Romeinse domein was.
Omdat er niet veel buren waren in de omgeving, lagen de gronden doorgaans in hun geheel rondom de villa gesitueerd. Met al deze gegevens mag men veronderstellen dat het domein van Ausonius zich van de Fongaban-beek, in de vlakte, uitstrekte tot op het plateau.
Wat de Saint-Emilion-wijngaard van Ausonius betreft, diende die uitsluitend – Bordeaux lag veraf en lokaal was er maar weinig afzetmogelijkheid – voor de behoefte van het domein en bijgevolg was die wijngaard niet groter dan zijn Bordelaise wijngaard.

* Condate, thans op een boogscheut van Libourne, was een strategische halte tijdens de Romeinse bezetting : deels omdat Libourne nog niet bestond (men heeft lang gedacht dat Condate het oude Libourne was), ook omwille van de Romeinse heirbaan die van Burdigala diep doordrong tot in de Dordogne. Zij kruiste de rivier ter hoogte van het moeras van Arveyres en bereikte de oever in de omgeving van Condate, dat tegelijk een haven en een relais langs de heirbaan was.

** Het château Ausone werd in 1786 zo gedoopt door de wijnbouwer en meesterkuiper Jean Cantenat en stichter van het Château Ausone. Omdat de pastoor van Saint-Martin er in 1778 de sporen van twee eeuwen eerder ontdekte Gallo-Romeinse restanten terugvond en die aan de villa van Ausonius toedichtte.

En vóór Ausonius …?

De passage van Ausonius is waarschijnlijk het oudste spoor van wijnbouw in het land van Saint-Emilion. Nochtans dateert de wijnbouw in Bordeaux uit de jaren 40 van onze jaartelling en de commerciële ontwikkeling krijgt gestalte in de jaren vijftig en is zelfs bloeiend in de jaren 70. Hoe stond de wijnbouw van Saint-Emilion ervoor naar het einde van de 1ste eeuw ? Men beschikt slechts over weinig informatie, maar het weinige laat opnieuw enige veronderstellingen toe.
In de omgeving van Libourne, vooral in het noorden en in de regio van de satellieten of stroomopwaarts van de Dordogne werden restanten van villa’s ontdekt die dateren van het begin van de 2de tot de 3de eeuw. Er werden snoei- en oogstmessen gevonden, bakken om de druiven te treden en ook gistkuipen.

Dat alles bewijst nog niet dat al deze werktuigen in die periode functioneel waren in Saint-Emilion. Weliswaar indien er villa’s bestonden te Saint-Emilion zou het toch verwonderlijk zijn indien ze geen wijnactiviteit zouden gehad hebben. Hoeveel villa’s waren er dan wel ? We zijn zeker dat er minstens Figeacus was.
De villa Figeacus (het huidige Château Figeac) bestond reeds in de 2de eeuw en het bleek toen een zeer groot domein. De verleiding is groot om te denken dat het domein reeds zijn eigen wijngaard had. Trouwens de Romeinse definitie van een “Villa” is een landelijk domein dat volledig autonoom functioneert, met bossen, weiden, akkers, wijngaarden en een waterloop.

We moeten er wel aan herinneren dat Domitianus (51-96) met zijn edict van 92 het rooien van de helft van de wijngaarden in de Romeinse Provincies beveelt en elke nieuwe aanplant verbiedt. Deze daad blokkeert elke vorm van expansie en dat tot aan het einde van de 3de eeuw, wanneer het edict door Probus opgeheven wordt. Bijgevolg bestond de wijngaard van Saint-Emilion al van voor het edict van Domitianus. Of zouden er onwettige aanplantingen bestaan hebben?
N.B. en wat de fameuze gleuven betreft die in het plateau van Saint-Emilion gegraven werden en aan de Romeinen van de 2de eeuw toegedicht worden: die zouden pas uit de tweede helft van de 18de eeuw dateren.

Bibliographie: “Histoire de bordeaux” uitgegeven door Privat (1980) onder de leiding van Charles Higounet – “Aux origines du vignobles bordelais” van Frédéric Berthault bij de uitgeverij Féret  (2000) – “Les églises de la Gironde” van kanunnik Pierre Brun bij de uitgeverij Delmas (1957) – “La route du vin en Gironde” van P. Joseph Lacoste bij Delmas (1948) – “Les grands vins de Saint-Emilion, Pomerol et Fronsac” van Henri Enjalbert bij uitgeverij Bardi (1983) – “Vins, vignes et vignerons” van Marcel Lachivier bij de uitgeverij Fayard (1997).

Veel van deze boeken zijn uitverkocht, behalve het werk van Frédéric Berthault “Aux origines du vignobles Bordelais”, dat een must is voor iedere liefhebber. Slechts 150 zeer leesbare bladzijden die stapsgewijs, van amfoor tot amfoor (of wat er van overblijft) de geschiedenis vertellen van de eerste Bordeauxwijn. Het is een wetenschappelijk résumé van hetgeen er precies geweten is, met het voordeel dat het bij het essentiële blijft en zodoende de lectuur vergemakkelijkt.

Voor andere artikels van ‘Op reis met IVV’, klik hier

Geef een reactie