Saint-Emilion Of de aanplant uit het koude front van 1956 (1)

12/11/2020 - “De aanplant voor rode wijn is gebaseerd op cabernet-sauvignon, cabernet franc, malbec en merlot, met een 1/3 cabernets, 1/3 malbec en 1/3 merlot” aan het woord is Pierre Galet in zijn subliem boek “Cépage et vignobles de France” heruitgegeven in 92, maar al geschreven in 1957. En het gaat hier niet om een beschrijving van de Médoc, maar van de Saint-Emilion-aanplant, waar een eeuw lang deze toestand heerste.

Bordeaux, februari 1956, het vriest dat het kraakt.

Op de eerste dag van februari 1956 ontdekken de Bordelezen voor het eerst wat “Siberisch koud” betekent. De koude kwam van het noorden en stationeert zich over heel Europa, tot in de verste uithoeken van het Franse zuidwesten. De koude slaat zelfs genadeloos toe in Spanje. Het duurt vier weken. De anticycloon is zo krachtig, dat zelfs de vochtige zeebries het binnenland niet kan bereiken en dus de hardheid van de winter niet kan afzwakken. Het kwik zinkt diep onder de voor de wijnstokken kritische –10°C. Van –10 ging het naar –14 tot zelfs –16° en dat dreef de wijnbouwers tot wanhoop. 

…haalt maar de slede van de zolder.

Niet de ganse Bordeaux werd even hard getroffen. De wijnstokken werden weliswaar zwaar aangepakt door de opeenvolgende vlagen van vrieskou en hun weerstand werd op de proef gesteld. Maar de duur van de vriesperiode maakt de gevolgen van de vorst onomkeerbaar. De laatste vorstaanval veroorzaakte de meest schade, alhoewel sommige wijngaarden minder getroffen werden dan andere.

Op 21 februari lag de gehele Bordeaux onder een dikke sneeuwlaag. Die nacht viel er in de stad meer dan één meter sneeuw. Terwijl de vierde vriesperiode tot 28 februari duurde, werd er elke nacht onverbiddelijk veel schade toegebracht. Toch hebben de wijngaarden rondom de stad die laatste intense vorstperiode overleefd en dat was nu net aan die metersdikke sneeuwvacht te danken. Dankzij zijn compactheid, dikte en isolerend vermogen, beschermde de sneeuw de wijnstok aan de voet. Op andere plaatsen was die sneeuwlaag dan weer niet zo dik, zodat de vrieskou er vrij spel kreeg en de wijnstokken totaal onbeschermd bleven.

Het estuarium brengt niet alleen vis…

De Médoc had ook veel te danken aan de Gironde en zijn estuarium. De grote massa water van de stroom bleek voldoende om het microklimaat in stand te houden, niettegenstaande de scherpte van de anticycloon. De vanuit de Gironde aangevoerde lucht verzachtte de gure omstandigheden in de wijngaarden die tegen de stroom lagen en  beschermde de druivelaars.

Pomerol-Saint-Emilion on the rocks

Noch de Entre-deux-mers, noch de Sauternais of de Libournais werden gespaard. Deze regio’s kregen de volle lading, vooral in de periode van 21 tot 28 februari. Elke morgen werd de schade opgemeten. In Pomerol was ongeveer 80% van de wijnstokken vernietigd, bijna 50% in Saint-Emilion (de appellatie werd meer getroffen in de vlakte dan op de helling). Wanneer men dit vergelijkt met de 15% schade in de Médoc, kan men de onomkeerbare schade van de andere gebieden preciezer inschatten.

De lammetjes zullen toen maar een fletse smaak gehad hebben.

Dat de wijnboeren onmiddellijk de ernst van de vrieskou begrepen en de schade konden opmeten, is niet helemaal juist. Zij hadden wel de beschadigde knopjes opgemerkt, maar konden niet vermoeden dat vele stokken tot in de kern geraakt waren. Zulke Siberische temperaturen hadden zij nog maar zelden meegemaakt. Het was geleden van 1870 en slechts weinigen hadden ervaring met de wijnbouw in de omgeving van het Meer van Ontario in New Jersey.

Het was hen evenwel duidelijk dat de oogst van 1956 behoorlijk zou beschadigd zijn, maar dan alleen voor dit jaar. Enkele wijnbouwers waren er echter minder gerust in dan anderen. Toch bleef de prijs van de Bordeauxwijnen, in die tijd, vrij stabiel. Pas na twee maanden, half april, kon men de werkelijke schade beter waarnemen. Het was erger dan men gedacht had: de vegetatieve cyclus kwam niet op gang!
Op dat moment beseften de wijnbouwers, de wijninstanties en de media de werkelijke omvang van de ramp. De koers van de wijn steeg onmiddellijk erg hoog.

Een nieuw tijdperk breekt aan.

Velen wierpen de handdoek in de ring.

1956 is een keerpunt in de Bordelese wijnbouw. Eerst en vooral omdat vele wijnbouwers na de ramp afhaakten. Er werd ontzettend veel verkaveld en herverkaveld: een ware metamorfose met meer monocultuur en duidelijke toename van de oppervlakte per bedrijf voor gevolg.

Fergusson, Renault, Fiat  “trekken” nu de kar.

Een ander gevolg van de crisis, is de motorisering van de wijnbouw. Inderdaad tot vóór de bewuste periode werd de wijngaard vooral met runderen geploegd. Nochtans werd er in de V.S. toen al erg veel met tractoren gewerkt. In de toenmalige Sovjetrepublieken nog meer. De mechanisatie werd afgeremd door een erg dicht op elkaar staande aanplant: 10.000 stokken per ha in de Médoc wat slechts één meter ruimte tussen de wijnhagen liet. In de Libornais varieerde het van 7 à 8.000 stokken per ha, wat op 1,5 m ruimte kwam. Deze aanplantingen lieten het gebruik van tractoren niet toe, omdat de voertuigen in die tijd doorgaans veel breder waren…

De eerste bedrijfsleider die een oplossing vond, was André Lurton. Zoekend naar een middel om zo snel mogelijk de wijngaard tegen zo laag mogelijke kosten te restaureren, rooit hij één rij op de twee. Zo komt het dat de Entre-deux-Mers plots met rijen zit die drie meter uit elkaar staan. De druivenlaars worden evenwel hoog opgebonden om toch voldoende suiker te kunnen produceren voor de 15 trosjes, daar waar vroeger 8 voldoende waren voor het rendement. In Saint-Emilion waar men meer kwalitatieve ambities had en ook meer middelen, opteerde men voor een nieuw verschijnsel: ‘”l’enjambeur” een tractor die als het ware de wijnstok, zoals een ruiter te paard, overspant. Deze evenwel duurdere oplossing liet toe het bestaande plantmateriaal te bewaren en slechts de doodgevroren planten te vervangen. Hierbij werden een maximum aan oude wijnstokken behouden, in afwachting dat de nieuwe aanplantingen op hun volle vermogen kwamen. Zoiets duurt ten minste een twaalftal jaren.

Maar de vrieskou van 1956 brengt voor de Saint-Emilion, naast de motorisatie, nog een grotere verandering met zich mee.

Saint-Emilion, gaat het elders zoeken.

Sedert lang was men in Saint-Emilion verdeeld op het vlak van de ampelografie (ampelos komt van het Griekse voor wijndruif). Sinds een halve eeuw, m.a.w. sinds het heraanplanten na de ravage door de Phylloxera, werd hier vooral het voorbeeld van de linkeroever gevolgd. Waarschijnlijk zat het economisch succes van die regio en de erkenning, dankzij het classement van 1855, er voor iets tussen.

De Libournezen voorzagen reeds voor de vorst de verhoudingen van de wijnstokken in hun aanplant te veranderen. Maar zoiets vraagt tijd. De ramp gaf hen plots de mogelijkheid er nu eindelijk en onmiddellijk werk van te maken.
Eertijds was de cabernet-sauvignon heer en meester en ook de malbec kwam veel voor. De cabernets (sauvignon en franc), malbec en merlot vertegenwoordigden elk een derde van de wijngaard (dixit P. Galet in zijn “cépages et vignobles de France” 1992, waar iedereen uit afgeschreven heeft.)

Dood aan de malbec.

Over één punt was iedereen akkoord: de Noir de Pressac, ook malbec genoemd, moest eruit. Wat had die sukkel nu misdaan? De malbec-wijnen zijn hard en zuur, de Saint-Emilion bleek dan toch niet zijn ideale locatie te zijn. Of het zou moeten zijn dat hij er slecht verbouwd werd? Sommige wijnbouwers herintroduceerden thans de malbec: “als je de lage rendementen erbij neemt en vooral niet vraagt de kwantiteit van de merlot te halen, kan deze druif zich ten volle tonen”zeggen sommigen.

Het verhaal van cabernet–sauvignon of de smoeltrekkers.

De Saint-Emilion-wijnboeren waren wel al van plan het aandeel druivelaars terug te dringen, maar dat was zonder de wijnbouw-deskundigen van het INRA (institut de recherche agronomique dat door het INAO geruggensteund wordt) gerekend, die het anders voorhadden en wensten dat de wijnboeren meer cabernet-sauvignon aanplantten; en bovendien nog geënt op, voor deze bodem, ongeschikte onderstokken die veel te veel produceren. De meeste Grands Crus Classés hebben er niet aan toegegeven en gebruikten zeker geen SO4-onderstok. Denis Dubourdieu, de beroemde professor van het Institut d’Oenologie aan de Bordelese universiteit en tevens agronoom van vorming, gaf bij onze confrater, “l’amateur de Bordeaux” (juni 2001), te kennen dat: “de wijnbouw een te serieuze zaak is om aan agronomen over te laten”. Hij alludeerde uiteraard naar het particuliere karakter van de wijnbouw waar “weinig” voor “kwaliteit” staat, en dat is compleet het tegenovergestelde van de andere culturen.

Cabernet Franc

Cabernet Franc

 

Cabernet franc en merlot: the winning team.

De wijnboeren waren over de bouchet (cabernet franc) en merlot ietwat verdeeld. De enen waren eerder bouchet gestemd, zodat structuur in hun wijnen behouden werd. Anderen zagen weer liever de merlot domineren, waarbij enkelen zelfs 100% merlot vooropstelden. Natuurlijk wensten de meesten soepelere wijnen, die vlugger drinkklaar waren. Maar diende men ook geen rekening  te houden met de hoge, verleidelijke, rendementen van de merlot?

Kortom, iedereen deed wat hem het best uitkwam in de verhouding bouchet/merlot.
In 1980 was het gemiddelde zoiets van 55 à 60% merlot, 30 à 35 cabernet franc en 5 à 15% cabernet-sauvignon. Er waren natuurlijk enkele uitzonderingen: Magdelaine met 80% merlot en Ausone die de met 55% de merlot vrijwaarde.

Wat is de toestand nu?

Vandaag is men in de Saint-Emilion nogal sterk merlot georiënteerd. Maar zetten we even de commerciële redenen tegenover die van de wijnbouw.
Wijnbouwkundig heeft de merlot terrein gewonnen: 5 à 15 % naargelang de châteaux, wat de gemiddelde aanplant van Saint-Emilion zowat tussen de 65 à 75 % merlot brengt. Vooral de cabernet-sauvignon heeft moeten inbinden. Dat is te wijten aan het feit dat de Saint-Emilion enerzijds de franc vooropstelde, anderzijds de cabernet-sauvignons (trouwens op minderwaardige onderstokken geënt) kwalitatief, in de beste domeinen, niet kon weerhouden.

Waarom werd er dan niet meer – op degelijke onderstokken geëntte – cabernet-sauvignon aangeplant? Of meer cabernet franc? Waarom merlot? Natuurlijk zijn er tal van redenen; maar er ontwikkelde zich in de Saint-Emilion (en in de Libournais in het algemeen) een nog meer foute gedachtegang. Bij de aanplant na de vorst van 1956, beging men, naast de slecht keuze van onderstammen, nog een tweede ergere fout: naast de bestaande aanplantingen, werd er vooral in de koudste zones (die waren het meest aangetast) hoofdzakelijk cabernet-sauvignon aangeplant. De warmere, hoger gelegen zones bleven voor de merlot gereserveerd. Niet alleen zijn de cabernets later rijp, maar zij werden in de lager gelegen zones aangeplant waar het kouder is en sneller gaat vriezen. Terwijl men de plateaus en hogere delen van de helling voor de merlot reserveerde. Dus de cabernets rijpen niet alleen later, maar bovendien zijn de lager gelegen zones minder geschikt om de druiven volledig te laten rijpen (met uitzondering voor die hellingen die hier meestal zanderig, donkerder en dus warmer of grinthoudend en goed waterdoorlaatbaar zijn; en bovendien naar het zuiden of zuidwesten georiënteerd zijn). Wanneer het echter zones in de goed ingesloten kleine valleitjes betreft, wat het geval is in het noordoostelijke deel van de appellatie (neem daar maar alle satellietgemeenten bij), is het een catastrofe. Daar kan men dus alleen merlot aanplanten.

Het % merlot in de aanplant, overtreft het % merlot in de wijn.

Het is maar logisch dat het % merlot en cabernet franc in de wijn niet hetzelfde is als het % aanplant. Ten eerste produceert de cabernet franc kleinere trosjes en is hij veel luchtiger van structuur tegenover de merlot. Hij wordt verschillend verbouwd en kent een lager rendement. Op het Château Angélus, bijvoorbeeld, waar de wijngaard voor 50% uit bouchet bestaat, treft men slechts 40 à 45 % in de wijn aan. Ten tweede is de cabernet franc gevoelig bij het laat rijpen, wanneer deze in een moeilijk terroir  – met een minder geschikte oriëntatie, luchtcirculatie en waterbevoorrading – is aangeplant. Hij zal dan maar zelden in zijn geheel in een jaargang gebruikt worden.

Ten derde moet men, jammer genoeg, ook met de commerciële belangen en de modetrends rekening houden. De wijnbouwers geven meer en meer de voorkeur aan de merlot en er verschijnen alsmaar meer cuvées met 100% merlot, heu … 99,99%, de monocépage is verboden. Maar U kent dat wel.

Dit laatste punt is tegelijk geruststellend en verontrustend. Geruststellend, omdat het slechts om een “mode” gaat en de wijnboeren zelf ervan overtuigd zijn dat het niet de ideale assemblage is. Zo wordt er nog geen cabernet franc gerooid om merlot te kunnen planten. Verontrustend omdat het de merlot-freaks onder de wijnboeren, individueel of collectief, aan de nodige dosis zelfbewustzijn ontbreekt om de Saint-Emilion identiteit te vrijwaren; een identiteit die sommigen verloren hebben of andere nieuwkomers nooit gekend hebben en dat met overdreven eik duidelijk aantonen. Misschien weten ze zelfs niet meer hoe dat smaakt?
Wij zouden het zelfs “onbegrijpelijk” kunnen noemen, want de grootste Saint-Emilions geven toch duidelijk het voorbeeld: Cheval Blanc 66% bouchet, Ausone 50%, Angélus 50%, Belair 45% enz enz… De eerste op grinthoudende bodem, de tweede op kalkrots, de derde op een zanderige bodem…. Zij staan daarmee toch model voor grootse cabernet francwijnen; niet?. Voor wanneer krijgen we een cuvée met 100% cabernet franc?

Cabernet franc van de bovenste plank.

Als hij goed is, is zijn wijn groots: haalt hij de perfectie in het evenwicht, dan kan hij best de rondheid van de merlot missen en heeft hij de structuur van de cabernet-sauvignon niet nodig. Natuurlijk, de woorden van Stephan de Niepperg indachtig wanneer hij Mondotte (99% merlot) vergelijkt met zijn Canon la Gaffelière (40% cabernet franc): “het is intellectueler!”. Jong geproefd vraagt de wijn nog meer aandacht om precies zijn diepgang waar te kunnen nemen. Niet extravagant, maar minder transparant dan de merlot, die zich eerder als een kikker opblaast in een weelde van gekonfijt fruit. De franc toont meestal wat peper (van de alcohol) en dat ontgaat de meesten van de verkouden proevers maar amper. De wijn is strak, maar niet hoekig, direct maar niet massief, genereus zonder overdrijving, met rijp fruit dat toch fris is, met veel tannine dat niettemin goed ingebed is. Het is geen sprinter, maar eerder een marathonloper, die een lange aanloop vraagt. Wat er ook van zij, de cabernet franc-wijn smeekt om veroudering en geduld.

Men kan zich afvragen waarom men de wijnboeren een gemakkelijk drinkbaar wijntype oplegt? Zou het tegenovergestelde niet meer getuigen van cultuur?

Voor andere artikels van ‘Op reis met IVV’, klik hier

Geef een reactie