Saint-Julien

Iets meer dan 900 ha wijngaard op een totaal van 1550 ha van de gemeente. Saint-Julien is van de gemeentelijke appellaties, de kleinste van de vier AOC.

Saint-Julien in cijfers

De gemeente telt 11 crus classés, die goed zijn voor 630 ha. Geen enkele officiële “premier”, zelfs wanneer de kopers met de prijzen van Léoville Las Cases dat anders zien.
Vijf “seconds crus”, of de helft van de seconds van 1855, twee “troisièmes crus” en vier “quatrièmes crus.
Saint-Julien telt ook het minste aantal “crus bourgeois”, geen enkele “cru bourgeois exceptionnel”, drie crus “bourgeois supérieures” en drie crus bourgeois.

De crus van Saint-Julien

  • “2nd crus classés”: 320 ha
    Ducru Beaucaillou – Gruaud Larose – Léoville Las Cases – Léoville Poyferré – Léoville Barton
  • “3ème crus classés”: 70ha
    Lagrange – Langoa Barton
  • “4ème crus classés”: 240 ha
    Beychevelle – Branaire Ducru – Saint-Pierre – Talbot
  • “Crus bourgeois supérieurs”
    Château du Glana – Château Moulin de la Rose – Château Terrey Gros Cailloux
  • “Crus bourgeois”
    Château La Bridane – Château Lalande – Château Teynac
  • Andere crus: Château Gloria

Luchtfoto en situering van de crus

De wijngaard van Saint-Julien ligt, zoals alle grote wijngaarden van de Médoc, op Garonneese grindbulten van het Quartair. In het zuiden is de grens dankzij het moeras van Beychevelle, duidelijk. In het noorden echter lopen de grindbulten samen met deze van de Pauillacwijngaard. Zelfs de beek “Juillac” genaamd, die daar quasi als grens tussen de twee wijngaarden ligt, heeft de continuïteit van de grind niet kunnen onderbreken.
Ten oosten vormt de wijde riviermonding van de Gironde met haar aanslibbingen (palus) een duidelijke afbakening. Maar in het westen is dat niet evident. De aanwezigheid van enkele notoire crus even buiten de appellatie vraagt om een diepgaandere studie van die afbakening.
Als ander punt moeten we opmerken dat de ligging van de eigendommen bijna rechtlijnig is. Iets wat we elders niet zien, ook niet in het nabijgelegen Pauillac. We onderscheiden twee assen. De eerste loopt naast de Gironde. Hier liggen de drie Léoville, Ducru Beaucaillou en Beychevelle. De tweede as volgt het moeras van Beychevelle. Hier treffen we Beychevelle, Branaire Ducru, Saint-Pierre, Gruaud Larose, Lagrange en we kunnen vervolgen met Belgrave, Camensac en La Tour Carnet.
We hebben misschien twee redenen om deze rooilijnen uit te stippelen. De eerste is van praktische aard en houd verband met de nabijheid van de Gironde enerzijds en het “chenal du milieu” dat door het moeras van Beychevelle loopt, anderzijds. Het verschepen was eenvoudiger. De tweede reden is meer van geomorfologische aard. Aan de kustlijn vormde de erosie duidelijk afgelijnde grindbulten (“croupes”) die al snel als uitstekende terroirs werden erkend. Dankzij het grondige uitwassen ontstonden hier de armste grindlagen. De veelvuldige hellingen zorgden bovendien voor intense drainage en de rijpheid werd op die hellingen benadrukt. Daarenboven genieten de hellingen naar het zuiden en het zuidoosten van het voordelige Gironde-microklimaat. Wijnbouwersnotities uit de vorige eeuw verwijzen vaak naar dit laatste: “zij (de wijnstokken) ondergaan voortdurend luchtstromingen vanuit het estuarium, dit vermijdt voorjaarsvorst”. (volgens een brief van Lamothe, regisseur van Latour, aan zijn eigenaar, in 1818). Noteren wij niettemin toch dat Talbot ook bij de groten behoort, terwijl hij in het midden van het plateau van Saint-Julien ligt.

Complexiteit van de westelijke afbakening van Saint-Julien

Een vluchtige blik op de luchtfoto van Saint-Julien leert ons dat de groep La Tour Carnet, Bellegrave en Camensac, buiten de appellatie en toch zeer dichtbij ligt. De afstand tussen deze drie crus en Ch. Lagrange is kleiner dan dat deze laatste verwijderd is van de dorpskern van Beychevelle. Topografisch situeren ze zich op het reliëf dat in de lijn van de “Jalle du Marais de Beychevelle” ligt.
Een studie van de verschillende sedimentaire afzettingen verklaart beter de problematiek van deze kanttekeningen.
In feite situeren de echte Gunz-grindbulten zich in het zuidoosten. Vandaar naar het westen gaand, wordt het reliëf al snel vlakker en krijgt het de vorm van een plateau. Dit door de erosie, maar ook omdat kleinere kuilen zich vulden met, onder andere, het zwarte zand uit de Landes, dat daar niet ver vandaan afgezet werd.
Het Château Talbot, in het centrum van het reliëf, bevindt zich aan de rand van die zandlaag.
Meer naar het westen vinden we een afzetting van oudere grindlagen (tertiair): Pyrenees grind is anders dan Garonnees grind. Na deze lagen klimmen we naar het afzettingsvlak van het Landes-zand.
De zuidelijke rand is complexer, met de drie crus classés Belgrave, Camensac en La Tour Carnet. Het Garonnees grind is er duidelijk aanwezig en vormt er eilandjes die aan de secondaire afzettingen raken en er zich min of meer mee vermengen.
Vermelden we het specifieke geval van de bult op La Tour Carnet. Die verrijst uit de grond met oude sedimentaire afzettingen. Het gevolg van een tektonisch accident waarbij de kalkonderlaag verzakte. De bovenste laag bestaat dus uit kalk met zeesterren, die compleet afgesleten is aan de oostkant van de breuk. Bovendien werd die, omwille van de hoogte, niet bedekt door Garonnees grind en de vorming van de heuvel toont op zijn hellingen sannoiceen klei en mergel met oesterschelpen. Om maar te zeggen dat La Tour Carnet een apart geval is en ongewoon voor de terroirs van Saint-Julien. Toch toont dit geval aan hoe de andere zijn ontstaan.
Om dit onderdeel af te sluiten, vertellen we nog dat de grens van de AOC veeleer te wijten is aan een administratieve en geschiedkundige opdeling. Men zou de grens tussen Saint-Laurent en Saint-Julien maar eens volgen, om deze opeenhoping te begrijpen.

Elementen van bodemtypering

Pauillac zou “dan dit, dan dat” zijn, terwijl Saint-Julien wel eens “veeleer dit, veeleer dat” kunnen zijn. Zouden deze twee zeer nabijgelegen AOC’s dan zo verschillend zijn? Wijnstokken? Aanplant? Klimaat? Ligging? Densiteit? Bebouwmethodes? De verschillen zijn wel klein om de typering van de éne en de andere te verklaren.
De bodem, dan maar. Bestaat de typerende Saint-Julienbodem, die hem van Pauillac onderscheidt? De twee zijn met Garonnees grind bedekt. De dikte van de laag, misschien? Die is in de twee gevallen dan eens diep en dan eens ondiep. Dat kan het dus niet zijn.
Wat bevindt er zich onder de grind? Wel vermoedelijk ligt daar een deel van het antwoord. Stratigrafische doorsneden van de verschillende terroirs van Pauillac tonen aan dat die een punt gemeen hebben: de grind ligt op een kalkondergrond. Vooral kalk met zeesterren. Dat is zo van het noorden naar het zuiden, van Batailley, Pontet Canet, d’Armailhac tot Moutin Rothschild. In het verlengde, op de meest noordelijke helling, ligt Lafite op een ondergrond van Saint-Estèphe-kalk. Maar het is dan toch ook kalk.

Wat betekent dit nu voor Saint-Julien?

Dankzij een stratigrafisch profiel van Lagrange in het westen, tot Ducru Baucaillou in het oosten, treffen we onder de grindafzettingen inderdaad een voor alle crus gemeenschappelijke sedimentaire laag aan. En die verschilt wel zeer sterk van de kalkondergrond van Pauillac. Het betreft hier veeleer sannoiceen kleilagen. Dat geldt voor Lagrange, Gruaud Larose, Saint-Pierre, Glana, Ducru Beaucaillou, Beychevelle, Branaire, enz…

Zoiets geeft al snel aanleiding tot conclusies: Pauillac = grind op kalk; Saint-Julien = grind op klei.
Blijft alleen nog te weten waar de klei en de kalk elkaar raken, dan komen we alles te weten over de voedingsmatrix voor de wijnstokwortels van Pauillac en Saint-Julien.
Maar net hier wordt alles gecompliceerder. Hebben we eertijds specialisten niet horen zeggen dat de wijnen van Pichon Comtesse het meest Saint-Julien getypeerd waren van alle Pauillacs? Zoals van Léoville La Cases gezegd werd dat hij “zo krachtig als een premier van Pauillac” is. Indien de kracht van Pauillac te danken is aan kalk, dan zagen de auteurs dat dus wel juist.
Een stratigrafische N-Z-doorsnede van Saint-Laurent te Beychevelle bevestigt de kleilaag ten zuiden van Saint-Julien en de kalk onder Latour. Niettemin, is deze kalklaag ook de ondergrond voor de grind van Léoville Las Cases. Volgen we dit tracé dan zien we dat de kalk pas in de kleilaag overgaat ter hoogte van het centrum van de appellatie van Saint-Julien, net onder de beek “le Long”. De Léoville’s zouden dus volgens onze gedachtegang, eerder Pauillacs zijn.

Wat te zeggen aangaande de buurt van de Pichons? Een stratigrafisch oost-west profiel toont dat daar de kalk voldoende geërodeerd is om onder de grind plaats te ruimen voor de sannoiceen klei en de ietwat dieper gelegen mergel met oesterschelpen.
Zouden deze terroirs dan niet Saint-Julien mogen heten?

Saint-Julien is een erg mooie appellatie. Misschien wel de meest verleidelijke omwille van de grote homogeniteit van de crus, of dat nu classés zijn of bourgeois. Voor sommige auteurs bevalt hij omdat de wijnen “een overgang vormen van de elegante Margaux’s naar de krachtige Pauillacs”.
Maar zou een echte overgangswijngaard niet eerder een wijngaard zijn waar zich de ene keer klei en dan weer kalk voordoet en dus de ene keer een Pauillac levert en de andere keer weer eens een Saint-Julien voortbrengt? En dat zowel aan de ene als aan de andere zijde van de beek van “Juillac”?

Technische fiche van de belangrijkste crus

Crus classés

Château Beychevelle
Wijngaard: 90 ha
– Densiteit: 8.300 tot 10.000 stokken/ha
– Ouderdom stokken: 25 jaar
– Productie: 640.000 fl.
Aanplant: 60% CS*, 28% M*, 8% CF*, 4% PV*
– Nieuw hout: 60%
– Lagering: 20 maanden

Château Branaire Ducru
Wijngaard: 50 ha
– Dens.: 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 230.000 fl
– Aanpl.: 70% CS, 22% M, 5% CF, 3% PV
– Nieuw hout: 50%
– Lagering: 18 à 22 maanden

Château Ducru Beaucaillou
Wijngaard: 50 ha
– Dens.: 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 230.000 fl
– Aanpl.: 65% CS, 25% M, 5% CF, 5% PV
– Nieuw hout: ?%
– Lagering: 18 à 20 maanden

Château Gruaud Larose
Wijngaard: 82 ha
– Dens.: 7.500 à 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 500.000 fl
– Aanpl.: 57% CS, 30% M, 8% CF, 3% PV
– Nieuw hout: 1/3
– Lagering: 16 à 18 maanden

Château Lagrange
Wijngaard: 109 ha
– Dens.: 8.500 st/ha
– Ouderd.st.: 30 jaar
– Prod.: 700.000 fl
– Aanpl.: 66% CS, 27% M, 7% PV
– Nieuw hout: 60%
– Lagering: 18 maanden

Château Langoa Barton
Wijngaard: 17 ha
– Dens.: 9.000 st/ha
– Ouderd.st.: 28 jaar
– Prod.: 85.000 fl
– Aanpl.: 74% CS, 20% M, 6% CF
– Nieuw hout: 50%
– Lagering: 20 maanden

Château Léoville Barton
Wijngaard: 47 ha
– Dens.: 9.000 st/ha
– Ouderd.st.: 28 jaar
– Prod.: 250.000 fl
– Aanpl.: 72% CS, 20% M, 8% CF
– Nieuw hout: 50% 
-Lagering: 20 maanden

Château Léoville Las Cases
Wijngaard: 97 ha
– Dens.: 8.500 st/ha
– Ouderd.st.: 28 jaar
– Prod.: 540.000 fl
– Aanpl.: 65% CS, 19% M, 13% CF, 3% PV
– Nieuw hout: 60 à 90%
– Lagering: 18 maanden

Château Léoville Poyferré
Wijngaard: 80 ha
– Dens.: 9.000 st/ha
– Ouderd.st.: 25 jaar
– Prod.: 530.000 fl
– Aanpl.: 65% CS, 25% M, 2% CF, 8% PV
– Nieuw hout: 65 à 75%
– Lagering: 18 à 20 maanden

Château Saint-Pierre
Wijngaard: 17 ha
– Dens.: 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 90.000 fl
– Aanpl.: 70% CS, 20% M, 10% CF
– Nieuw hout: 50%
– Lagering: 12 maanden

Crus bourgeois

Château du Glana
Wijngaard: 43 ha
– Dens.: 7.000 st/ha
– Ouderd.st.: 28 jaar
– Prod.: 300.000 fl
– Aanpl.: 65% CS, 30% M, 5% CF
– Nieuw hout: 25%
– Lagering: 14 maanden

Château La Bridane
Wijngaard: 15 ha
– Dens.: 6.500 st/ha
– Ouderd.st.: 30 jaar
– Prod.: 50.000 fl
– Aanpl.: 35% CS, 38% M, 25% CF, 2% PV
– Nieuw hout: 30 %
– Lagering: 12 à 16 maanden

Château Lalande
Wijngaard: 32 ha
– Dens.: 7.000 st/ha
– Ouderd.st.: 28 jaar
– Prod.: 120.000 fl
– Aanpl.: 55% CS, 40% M, 5% CF
– Nieuw hout: 20%
– Lagering: 12 maanden

Château Moulin de la Rose
Wijngaard: 4,7 ha
– Dens.: 8.500 st/ha
– Ouderd.st.: 25 jaar
– Prod.: <30.000 fl
– Aanpl.: 60% CS, 30% M, 10% CF et PV
– Nieuw hout: 33%
– Lagering: 20 maanden

Château Terrey Gros Cailloux
Wijngaard: 14 ha
– Dens.: 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 35 jaar
– Prod.: 100.000 fl
– Aanpl.: 70% CS, 25% M, 5% PV
– Nieuw hout: 20 %
– Lagering: 12 maanden

Château Teynac
Wijngaard: 11,5 ha
– Dens.: 7.500 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 70.000 fl
– Aanpl.: 78% CS, 20% M, 2% PV
– Nieuw hout: 40%
– Lagering: 12 à 14 maanden

Anders

Château Gloria
Wijngaard: 50 ha
– Dens.: 10.000 st/ha
– Ouderd.st.: 40 jaar
– Prod.: 300.000 fl
– Aanpl.: 65% CS, 25% M, 5% CF, 5% PV
– Nieuw hout: 33%
– Lagering: 12 maanden

* CS: Cabernet Sauvignon – M: Merlot Noir – CF: Cabernet Franc – PV: Petit Verdot

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie