Santenay: wijn in zijn bronwater

In het zuidelijke deel van de Côte de Beaune beheert Santenay premiers crus en villages, net als Pommard en Volnay, zonder te genieten van dezelfde bekendheid. Terroirs, wijnen en wijnbouwers: gebruiksaanwijzing.

Langs de RN 74, de Bourgondische “route 66”, ziet men met enige emotie de borden van de grote appellaties staan. Ze wensen de toeristen hartelijk welkom en even verder worden die bedankt voor hun bezoek. Santenay is hierop geen uitzondering. Indien men niet langs de wegeltjes door de wijngaarden rijdt, wordt de toegang bereikt na het nemen van een bocht naar het zuiden. Het bewijs dat de Côte hier al wat anders wordt dan haar hoger gelegen gebieden. Opvallend is ook het fenomeen van een drievoudigheid in meerdere domeinen: drie agglomeraties, drie activiteiten, drie architectonische bezienswaardigheden en drie groepen van “premiers crus”.
Deze “regelmaat” kan echter de veelvuldigheid van dit charmante dorpje met zijn zeer pittoreske wijngaard niet overschaduwen. Een dorpje dat in deze tijden van moeilijke economische conjunctuur vele troeven heeft, vooral in de verhouding kwaliteit/prijs van zijn wijn.

Van het traditionele tot het meest ongebruikelijke

Dat de wijnstok elk lapje grond binnen de toegelaten afbakening, elk klompje klei of kalk, ingenomen heeft, zal niemand verwonderen. Maar dat Santenay zowel reumatologische en andere aandoeningen verzorgt met zijn lithiumrijke bronwater als de roulette- of black jackfanaten in zijn casino ziet defileren, doet wellicht menig wenkbrauw fronsen in deze rurale Bourgondische context. Wettelijk kunnen deze twee activiteiten naast elkaar leven. Het thermaal, in de 19de opgericht en in 1966 geklasseerd, is vandaag omwille van verbouwingen gesloten. Het casino, in 1885 geopend en in 1957 heropend, maakt vlot recette en functioneert zonder enige concurrentie in de omtrek.
Ander architecturaal patrimonium: de Sorine-molen, een windmolen uit de 19de staat pal in het midden van de wijngaard en werd volledig gerestaureerd; de Romaanse kerk Saint-Jean de Narosse (Santenay le Haut) en het Château Philippe le Hardi (Santenay le Bas) getuigen van verschillende periodes, maar hun polychrome daken kleuren meer dan één Bourgondische postkaart.

Voor de anekdote

Duizend zielen bevolken de drie niveaus van de gemeente, beginnend bij de grote plaats, waar het water ontspringt, tot het gehucht van Saint-Jean (een tiental huizen), gaande via de smalle straatjes en oude stenen van het hoger gelegen gedeelte. Het eerste geschreven spoor van “Santenay” dateert, na heel wat Latijnse verbuigingen, van 1271. Het werd in het martyrologium van Notre-Dame de Beaune gevonden. De eerste sporen van bepaalde plaatsnamen, zoals Boichot, dateren ook van die tijd.
Het situeerde zich op de verbinding tussen de Morvanheuvels en de vlakte van de Soane. Het werd ruim voorzien van vestigingen, die vandaag de getuigen zijn van haar evolutie. Men treft er een quartaire fauna aan, neolithische sculpturen, wapens uit de bronstijd of van de Romeinse bezetting (muntstukken en ruïnes). In de middeleeuwen kwamen er dan kastelen bij, waaronder het kasteel van Filips de Stoute. Van hem weten we dat hij het ampelografisch gezicht van de Bourgogne zal veranderen door de “trouweloze” gamay te verbieden ten voordele van de pinot noir.

De wijngaard.

De oppervlakte bedraagt 450 ha, maar “slechts” 317 ha zijn AOC-gebied. Toch behoort Santenay bij de grootste AOC-gemeenten van de Côte d’Or. Het beschermde herkomstgebied wordt als volgt opgedeeld: 212 ha “villages” (waarvan 26 ha chardonnay) en 105 ha “premiers cru” (waarvan 10 ha chardonnay). Het spreekt voor zich dat de pinot noir heer en meester is.
Een klein gedeelte van de wijngaard (de plaatsnaam Les Champs Claudes) loopt over in Remigny (Saone et Loire). Santenay moet de Napoleontische kadastrale beslissingen betreuren, want in zijn boek klasseert de abt Courtépée de Clos Pitois (ten oosten van Morgeot) bij de beste crus, terwijl die nu deel uitmaakt van Chassagne.
De geoloog Robert Dautel (onlangs overleden) bestudeerde de bodems van Santenay en besloot dat ze zelfs voor de stoutmoedigste bodembeschrijver een nachtmerrie zijn.
Terwijl de Côte de Nuits een zekere homogeniteit vertoont dankzij de rotsachtige kalkbodem van de Midden-Jura, die ideaal zijn voor krachtige en structuurvolle pinots, toont de Côte de Beaune een grotere diversiteit. Van Ladoix tot Monthélie domineert de mergel van de Boven-Jura (meer soepele rode wijnen en verschillende stijlen bij de witte). Meer naar het zuiden komt de Midden-Jura weer opzetten, maar een laterale variatie in de textuur van de grond heeft een mergelbult gecreëerd die uiterst geschikt bleek voor de chardonnay: cf. Meursault, Puligny en een deel van Chassagne (waar ook rode wijn geproduceerd wordt). En Santanay? De kalk, al vanaf Chassagne, komt in alle kracht opzetten. Het originele zit hem echter in de vele bodemscheurtjes die de overgang van de vallei van de Dheune naar de verschuiving van Bresse veroorzaakt heeft. De verzakkingen hebben op sommige plaatsen van de wijngaard mergel uit de Boven-Jura op de kalk aangebracht. De vermenging van die gesteentes komt precies overeen met de plaats van de “premiers crus”. Het wijnbouwlandschap bestaat in het westen vooral uit hellingen die naar het oosten en het zuiden gericht zijn. Het is een zowel grandioos als gezellig geheel, dat dikwijls onderbroken wordt door abrupte hellingen, afgebakend door struikgewas (ecologische nisjes) en ophopingen van stenen. De Montagne des Trois Croix (Mont de Sène is 521m hoog) en de rotsformaties boven Brévaux domineren de wijngaard, samen met de plaatsnaam Sous la Fée. Bij helder weer vormen de Juraheuvels en verder weg de Mont Blanc een majestueuze achtergrond; zeker voor diegenen die in de bossen op de heuvels op zoek zijn naar truffels.
Santenay ontsnapt nipt aan de bijtende wind vanuit het Rhônedal en hult zich vaak in winternevels (de vallei van de Dheune is zeker niet vreemd aan dit fenomeen). De zomers zijn er ook zeer warm.

De wijnen en de crus.

Wijnbouwer zijn in Santenay is een echte uitdaging, zeker als men een lijst van alle lokale crus telt. Reden: een zekere rusticiteit van tannines in de wijnen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de diepe bodems, bovendien ijzerhoudend, die veeleer gelijkenis tonen met de Côte de Nuits in het algemeen en met Nuits-Saint-Georges in het bijzonder. Daar weet men wat tannine is. Volgens Jean-Marc Vincent (portret in IVV nr 99) verkrijgt de wijn aan de voet van de hellingen meer polyphenolen – wie tanninerijk terroir zegt, zegt problemen van rijping van pitten en schillen – terwijl hogerop meer finesse en aromatische lengte verkregen wordt. De invoerders die de kelders aflopen, appreciëren die karaktervolle bewaarwijnen wel, maar halen de neus op wanneer ze die moeten commercialiseren aan klanten die uit zijn op rondheid en onmiddellijk drinkklare wijnen. De producenten trachten hieraan te verhelpen door de phenolische rijpheid bij te schaven om zo de smaak van de consument te balsemen. Sommigen slagen erin, want sinds enkele jaren constateren we een stijlverandering zonder dat de eigenheid van deze cru verdwijnt. Dat zou pas doodzonde zijn.
Men kan echter niet stilzwijgend voorbij gaan aan het geval “gros plant de Santenay”, verkregen door massale selectie in een periode waar de oogst uitgedund werd door de klimatologische wispelturigheden en schimmelontwikkeling. Die kloon was vooral geliefd voor zijn grote opbrengsten, tegelijk opgepept in de mestrijke jaren zestig.
De wijnbouwers ontkennen die werkelijkheid niet, maar verzekeren dat de planten nu een respectabele leeftijd hebben of dat ze ondertussen vervangen werden door klonen die zowat over de gehele Bourgogne gebruikt worden. Anderzijds zijn ze er zich ook bewust van geworden van het voordeel dat lage opbrengsten biedt dankzij aangepaste bebouwingsmethoden en vooral het snoeien in “cordon royat”, het meest verspreide systeem in Chassagne en Santenay. Die noeimethode bezorgt hun druiven meer zon, voldoende luchtcirculatie en heeft een betere rijpheid van de druiven tot gevolg.
Bij de “premiers crus” onderscheidt men drie groepen. In het noorden bevindt zich de sector die meer gestructureerde wijnen produceert en met waarschijnlijk de twee beste plaatsnamen van Santenay: Les Gravières en de Clos de Tavanes (meer kalkhoudend). Op een bodem met meer rots liggen Comme, Beauregard en Clos Foubard. Het zijn meer lichtvoetige wijnen. idem voor de Passetemps, die iets vloeibaarder is dan zijn niveaugenoot Les Gravières. Het centrum profileert zich met meer fruit en rondheid in La Maladière en Beaurepaire. In het zuiden, ietwat rustieker en mannelijker dan erboven, treft men de familie Rousseau met de Grand en de Petit Clos.
In de “Village”-appellatie richten de wijnbouwers, zoals over de gehele Côte, zich op meer “rondere” cuvées, m.a.w. een assemblage van verschillende percelen, die elkaar steunen in het zoeken naar een harmonisch evenwicht. De laaggelegen percelen, Charmes dessous, Potets en Vaux, hebben meer moeite om hun druiven op tijd rijp te hebben. Andere doen het alleen: Clos Genêt, Les Hâtes, Champs Claudes, Biévaux,….
Commercieel gesproken vinden de “premiers crus” en de “Villages” met vermelding van plaatsnaam sneller kopers dan de “gewone” Santenay.

Voor andere artikels van ‘Op reis met IVV’, klik hier

Geef een reactie