Vosne-Romanée : in het hart van de pinot noir (1)

16/02/2021 - Terwijl “Vaona” (in de kroniek van Bèze, 636) zelf vanaf de RN 74 niet echt aantrekkelijk lijkt, gaan de papillen alleen al bij horen van de naam “Romanée” hunkeren van verlangen. Geschiedenis en geologie hebben hier aan de voet van dit Jurabalkon het pad geëffend naar een oeverloze weelde, alhoewel!

De Vosne-wijngaard is de voortzetting van het noordelijke deel van Nuits-Saint-Georges en botst ten zuiden op de muur van Clos de Vougeot, om die langs de westelijke zijde teb passeren om zo uit te deinen in de Petits Musigny. Een droomomgeving, voor een realiteit die nog fantastischer is ! Men houdt dus maar beter beide voeten op de grond, voor een unieke bodem die bij machte is om ons uiterst exceptionele druiven te leveren : druiven boordevol smaak en geur geur die het kosmische van de jaargang en het tellurische van de ondergrond bewaren. De Bourgondische schrijver Henri Vincenot hield ervan om met de rug te leunen tegen een boom : de plek namelijk waar die twee levensstromen elkaar ontmoeten. Ik ben op het muurtje van Romanée-Conti gaan zitten, kijkend naar Romanée Saint-Vivant. De parfums van Vosne bedwelmenden mij en ik voelde het hart van de pinot noir kloppen.

De wijngaard vanuit de lucht bekeken

Indien mijn berekeningen kloppen – de cijfers variëren weliswaar naargelang de bron – telt de wijngaard die de AOC’s Vosne-Romanée (premiers crus inbegrepen) voortbrengt samen met de grands crus 228 ha 61 a. Die liggen verdeeld in twee gemeenten: uiteraard in Vosne-Romanée en ook in Flagey Echezeaux. Deze gemeente ligt in de vlakte – de naam verwijst naar ene Flavius – en heeft een oppervlakte van 70 ha 31 aren. Het merkwaardigste, bij het bestuderen van het kadastraal plan, is de plaats die de grands crus innemen; een bijna onaantastbare plaats, want sedert lang, zelfs met andere benamingen, de eerst viool spelend en dat sinds de eerste wijnkronieken en –kritieken. Het is ook ontroerend om vast te stellen dat enkele van deze percelen (climats) in hun middeleeuwse vorm zijn blijven bestaan. Men kan zich ook zeer goed de monniken en boeren, die van hun abdijen afhingen, indenken bij hun moeizaam bewerken van de grond, wiens compliciteit zij apprecieerden bij het wijnmaken. Acht grands crus vormen een blok van 73 ha 22 a, met in het midden de entiteit van Suchots, dat deel uitmaakt van de 56 ha 60 aren van de veertien premiers crus. Al deze prestigieuze namen, de ene al meer dan de andere, bevinden zich net naast de 98 ha en 77 aren grote gemeentelijke appellatie-afbakening. Door de RN afgezoomd loopt deze tot aan de rand van het plateau. Dit prachtig geheel loopt trapsgewijs van 250 tot 350 m hoogte en wordt door de uitlopers van het Morvan-gebergte beschermd, terwijl de helling zelf de neerslag vanuit het westen tegenhoudt. In het algemeen is de “Côte” pal naar het oosten gericht, wat een vroege opwarming garandeert. Naargelang het grillige reliëf zijn hierop enige variaties : een deel van les Brûlées is helemaal naar het zuiden gericht, Echezeaux naar het zuidoosten en Cros Parantoux of les Verroilles naar het noorden (oosten-noordoosten).

De helling van Romanée-Conti is nog vrij zwak, 5 à 6°, maar wordt sterker op Echezeaux, 13°, en is het steilst in Les Reignots maar met 20° vooral in Les Beaux Monts. De wijnbouwers beseften dan ook wat erosie is. Dit is de reden van de dwars op de helling aangeplante wijnranken zoals op La Romanée, Le Cros Parantoux en enkele percelen van Richebourgs.
Om het uitzonderlijke van deze helling tegenover de vlakte te kunnen waarnemen, moet men de helling tot boven beklimmen. Vandaar krijgt men een beter beeld van de glooiing en de oriëntatie tegenover de zon, kortom men voelt er alles beter aan. De eenheid van dit bruine, groene of bruinrode tapijt wordt door twee droogstaande beken (“combes”) onderbroken: Combe Brûlée en Combe d’Orveau. Die draineren de koudste luchtstromen en geven de wijn een grotere zuurheid en frisheid : zeer interessant in het kader van osmose met een goede fenolische rijpheid. Een doorsteek van zuid naar noord toont ook enkele verzakkingen, zoals de waterwinning in het zuiden ter hoogte van de “Nationale” die 6 gemeenten bevoorraadt, of zoals deze bij Suchots en Les Hautes-Maizières, net boven het kerkhof.

De wijngaard van onderuit gezien.

Wat hebben Spielberg en de Côte ter hoogte van Vosne met elkaar gemeen ? De Midden-Jura !
De Côte is een geologisch typevoorbeeld van de Midden-Jura, dat zich tussen 150 en 180 miljoen jaar geleden gevormd heeft met twee typische lagen die met elkaar wedijveren : Bajocien en Bathonien . Onder de harde kalksteen van Comblanchien (tegels), die het plateau vormt dat de wijngaard domineert, treft men twee Bathonien-gesteenten: wit oöliet (ronde kalkkorrels ter grootte van viseieren) op roze geaderde kalk (Prémeaux). Net daaronder verbuigt zich het Bajocien in twee lagen : mergel van ostrea acuminata (oesterfossiel) op fossielenkalk van stekelhuidigen (aanhangsels waarmee crinoidea – zeelelies – zich aan de zeebodem vasthechtten). Aan de rand van de RN, ruimt het Juragesteente, ambassadeur van het Secondair, plaats voor het Tertiair, onder de vorm van zalmkleurige conglomeraten van het Mioceen of kalk en klei-afzettingen van het Oligoceen. Op de kalklaag van Prémeaux ligt Romanée, Romanée-Conti, La Grande Rue en een deel van La Tâche. La Romanée-Saint-Vivant rust op de fossielenkalk van stekelhuidigen en zalmkleurige conglomeraten; Echezeaux geniet van dezelfde conglomeraten evenals van mergel van ostrea acuminata.

Halfweg is de helling, ter hoogte van de knik, bedekt met niet te diepe (50 cm) bruine kalkachtige en keiachtige grond: het optimale milieu voor de ontplooiing van de pinot noir.
Naar de top van de helling wordt de deklaag dunner tot 10 cm, terwijl die aan de voet dikker wordt. Het keiachtige neemt duidelijk af in sommige sectoren, grof slib neemt toe, kiezelschelpjes verschijnen. De waterhuishouding (permanente of tijdelijke watervoorraad van de bodem) doet zijn intrede, ook poëtisch vertaald in de plaatsnamen zoals Les Saules (dat nu gedraineerd wordt).

Om dit hoofdstuk af te sluiten, herinner ik eraan dat de wijnbouwer en de natuur de bovenlaag voortdurend modelleren, de mens de effecten van de erosie tegenwerkend door geërodeerde grond naar boven te brengen. Henri Jayer aarzelde niet om de rots van Cros Parantoux te dynamiteren om zo het doorwortelen te bevorderen en als men de wijn bij Emmanuel Rouget proeft, beseft men hoe “Nobel” Alfred wel was.
Romanée Conti onderging enkele “correcties” zoals een expertise van het jaar II Republikeinse kalender (1794) vermeldt: “… het waren in totaal honderdvijftig karren met nieuwe grond, afkomstig van de heuvel, die Croonembourg in 1749 liet aanrukken en verspreiden over deze wijngaard…” en “in 1785 en 1786, liet Grimelin, de regisseur van de Prince de Conti, aan het uiteinde van deze wijngaard een greppel graven en ongeveer achthonderd karrenvrachten grond uitspreiden over de minder bedekte delen van deze wijngaard. De holtes liet hij opvullen met grind en opnieuw bedekken met goede grond, zodat die ook opnieuw konden beplant worden”.

De wijngaard

De middelste zone van de wijngaard vat alle omstandigheden samen voor het produceren van grote wijnen : mineraliteit, waterdoorlaatbaarheid, oriëntatie, helling, opwarming, vroegrijpheid, … zowat alles om waardig zijne hoogheid de pinot noir te ontvangen.
Het decreet voorziet een aanplantdichtheid tussen de 9.000 en 13.000 stokken per ha. In werkelijkheid gaat het om zo’n 10.000/11.000 stokken die in guyot simple of in cordon royat worden gesnoeid.

Vele wijnstokken hebben een respectabele leeftijd, wat maakt dat de gemiddelde ouderdom van de wijnstokken 40 jaar bedraagt. Als erfgenamen van de massale selectie, zijn de wijngaarden sinds een kwarteeuw stille getuigen van de kloon die, op enkele uitzonderingen na, sinds 15 jaar de nieuwe aanplanten karakteriseert. Een wijnbouwer merkte op dat klonen nu “high-tech” zijn. Waar wachten we dan eigenlijk op?
Wat zeker is, is dat sinds 10 jaar met de huidige klimatologische omstandigheden iedereen  – klonen, massale aanplant, jonge of oude druivelaars – gelijk is voor de natuurwet en zonder problemen de toegelaten rendementen (en soms meer) halen. Bij identieke productie maken de grote terroirs evenwel het enorme verschil.

Als het dorp voortdurend overstroomt, omdat het in een dalweg ligt, moet de druivelaar, naast het feit dat de erosie alles rondom hem heeft weggespoeld, zoals overal vechten tegen de inheemse ziekte, “court noué” en tegen bleekzucht in de te vochtige of te kalkrijke zones. De research i.v.m. klonen houdt met deze parameters uiteraard rekening.
Het grondwater toonde de laatste jaren hogere gehaltes aan herbiciden, wat getuigt van een overmatig gebruik en het zoeken naar een selectiever en beperkter gebruik van die bekritiseerde producten rechtvaardigt.

Positief is dan weer dat er sinds 5 jaar een veralgemeend programma loopt van sexuele verwarring tegen de bladrollers, van verschillende ploegmethoden, van experimenten met gedeeltelijke bezaaien met gras (5% van de oppervlakte) of ook nog van het introduceren van goede schimmels die het moeten opnemen tegen de schimmels van valse meeldauw of oïdium.
In het dorp waar de grond een fortuin waard is, wordt elke m² door ten minste één stok benut. Sinds lang bestaat er geen enkele mogelijkheid meer op uitbreiding, op uitzondering van enkele gemeentelijke “ouvrées” aan de rand van het bos die veeleer bij de regionale AOC’s thuishoren.

De geschiedenis van de crus.

Wat er allemaal al niet over de crus van Vosne verteld werd! Iedere auteur had er zijn eigen idee over. Dit bewijst eens te meer dat deze wijnen regelrechte muzen zijn, bekwaam om tot de meest geraffineerde metaforen of grootste overdrijvingen te inspireren. De abt Courtépée veronderstelde op het einde van de 18de eeuw dat er “in Vosne zijn er geen gewone wijnen”. Deze bewering zou men nu wat moeten bijstellen, maar de toon was gezet en zijn opvolgers, met de “tastevin” in de ene hand en de schrijfveer in de andere, hebben elk hun steentje bijgedragen tot de reeks van lofzangen … want tenslotte (vergeten we dat niet) bezitten Vosne en Flagey enkele van de uitzonderlijkste crus die er bestaan.

Het tot zijn recht laten komen van dit patrimonium was het werk van abdijen, prinsen, aristocratische of bourgeoisie families, of van “bescheiden” wijnbouwers en –handelaars: een menselijke mozaïek overgedragen aan de mozaïek van wijgaarden met een intensieve versnippering in veel zones, maar ook met enkele monopolies die doen dromen.
Hoe weinig er maar geweten is over de Romeinse of Gallo-Romeinse periode des te overzichtelijker waren de Middeleeuwen. Zeker i.v.m. de invloedsgebieden en concurrentie tussen Citeaux, aanwezig in de sector Vougeot (Grands Echezeaux en Echezeaux) en de Abbaye de Saint-Vivant (Vergy), eigenares in het gebied van de Romanées en Richebourgs.

Vervolg: De grands crus.

Dossiers IVV, klik hier

Geef een reactie